Bastiaan (Bas) Veth (1860 1922)

Schrijver van 'Het Leven in Nederlandsch-Indië' (1900)


Zelden heeft een boek zoveel opschudding verwekt als Bas Veth's in 1900 gepubliceerde Het Leven in Nederlandsch-Indië, waarin hij getuigde van zijn haat voor alles wat de kolonie hem geboden had in de twaalf jaar dat hij er verbleef als handelaar in ongeregeld goed, van 1879 tot 1891.

Negen jaar later barstte zijn vulkaan open en vulde hij 255 pagina's met haat en vervloeking.


   omslag bas veth 2


Niets deugde in de kolonie. De natuur was lelijk, het voedsel was smurrie, de hitte niet te verdragen, de Indische vrouwen oppervlakkig en berekenend, de koloniale blanke Indischman een patser en een ordinaire schuinsmarcheerder.

De eerste indruk die de kolonie op hem maakte was overweldigend meldt hij eerlijk in het boek:

'Die eilandjes voor Padang ! Dicht-groene palmbosschen, door fel-gelen strandrand gescheiden van de bekoorlijke diepblauwe zee. En een klein hutje, verscholen in de schaduw van de overbuigende palmbladeren. En een schuitje, klein, met vlerkjes links en rechts, om licht te dobberen op de golven, drijft, voortgestuwd met pagaaien, bewogen door naakte, bruine armen, op den immensen oceaan.'

Maar na 12 jaar verblijf in de tropen is er niets meer over van die bewondering:

'Het indische landschap geeft geen vreugde. (...)

De Europeaan krijgt, levende in die natuur van troostelooze, eentonige en eenzelvige grootheid, onweerstaanbaren lust er uit te vliegen om weer te kunnen zien hoe in 't voorjaar de europeesche natuur vol lachen en jolen en pret ontwaakt, -hij verlangt innig naar de groene weiden en de weidenbloemen, naar 't teere, jonge bladgroen, dat zoo lief de bosschen tint, naar een frisschen

wind, die mooie, volle wolken levendig doet voorbijdrijven en 't water van de plassen zoo keurigjes rimpelt, naar de vogels die zingen in de lucht, naar de vroolijke kleuren der velden en der mooie koeien en kalveren die er grazen, naar de herfst-nuances, naar den winter met zijn kale boomen en zijn sneeuw en zijn vorst.'

Nee, inderdaad, Indië kent niet de grote seizoenswisselingen van Europa. Toch is het niet altijd windstil in de tropen. Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië meldt op 11 juni 1901 monkelend dat

'De groote en fraaie waringinboom dicht bij de trap die naar Sentiong leidt is hedennacht door de zwaren wind ontworteld. De waringin van Bas Veth zonder twijfel.'

Maar er zit Bas Veth meer dwars na 12 jaar verblijf in Makassar, Padang en Soerabaja. Met name de koloniale Nederlander die hij daar aantreft. De Indischman.

'In Europa was hij bourgeois, vette, volle bourgeois gebleven, maar in toom gehouden door iets wat hij als "fatsoen" acht en waarvoor hij bang is . In Europa wil de bourgeois de "goede manieren" navolgen en hij let op "decorum" en "etikette" . Hij weet wel hoe het hoort.

In de KOLONIE is de bourgeois "indisch-man" geworden. Daar kan hij al zijn ondeugden volop botvieren en hoe meer hij dat doet, hoe hooger de sympathie van de anderen stijgt, of juister, hoe meer hij ontzien wordt, uit een gevoel van de anderen : hij is ons toch nog de baas . (...)

Een indisch-man is een ophakker. Hij zal dit, hij zal dat. Hij heeft gezegd zus of zoo. Hij verdomt het. (Deze uitdrukking is het merk voor een indisch-man .) Hem zullen ze niet te pakken nemen. Als hij een twijfelachtig bezit heeft van f 10.000, spreekt hij alsof hij een ton in eigendom heeft.'

Ook ergert hij zich aan het feit dat in de kleine blanke gemeenschap precies gelet wordt op ieders status. Men is voortdurend bezig te netwerken en zich aan elkaar voor te stellen met een luid 'Aangenaam' waarbij nauw luistert wie het initiatief daartoe mag nemen. Want rangen en standen moeten er zijn!

Helaas, helaas bevalt ook de Oosterse cuisine Bas niet:

'De rijsttafel werd geboren uit den drang der omstandigheden. Rijst is er plenty in Indië.
En ook lombok en ook verregaand bedorven visch: trassi geheten.
En er is kip, o! zooveel kip, magere, taaie kip, en er zijn kippeneieren en eendeneieren, gezouten, anders bederven ze, zoals alles in Indië bederft.
En er is kerri, vuil-groenkleurige kerri. En er is zoo iets als witte kool. Maar dat alles op zichzelf smaakt beroerd.

Wacht, dachten de soldaten en de matrozen, die 't eerst in Indië kwamen, gooit dat alles door elkaar.
Laat de peper den smaak bedriegen van al dat ordinaire eten; laat de rijst — rein en onbedorven van smaak — het hoofdgerecht zijn en laat een kerri-saus, met witte kool er in, de hutspot besproeien en wij leveren u de hoofd-ingrediënten voor een kost, waarin ge alles, wat even eetbaar is, kunt mengen.

En het verlengstuk van de ratjetoes en de hutspots werd de rijsttafel.
Dank aan deze hoofd-ingrediënten, kan je in de rijsttafel alles gooien.
Roode vischjes, uitjes, chutney, gebraden, gekookte, gebakken, gestoofde kip, gebakken visch, gekookte visch, sajor-an bij de vleet — gekruid of niet gekruid —, komkommers, frikkadel.
En dan nog een ontzettend aantal indische schoteltjes, waarvan ik gelukkig de namen niet ken.
En nu begint ge dat allegaartje door elkaar te roeren op een diep bord.
Hier en daar doet ge wat op de schoteltjes naast uw bord.
Wanneer nu alles goed is door elkaar geroerd en overgoten met wat stinksausjes, dan is uw rijsttafel klaar. Eet nu maar raak.
Zorg voor een beetje ,,bedis" — fijngehakte roode lombok — apart op den rand van uw bord en wat rot-riekende trassi en ge zijt au grand complet.
Met volle happen gaat al dat saamgefrommelde eten naar binnen.'

Kijk, als je dat leest wil je even geen rijsttafel. Zeker niet als je op een andere pagina leest hoe Bas Veth de eetgewoonten van de koloniale Indischman beschrijft:

'Borden vol rijst met vieze poespas verdwijnen achter zijn kaken, totdat hij etenszat zijn bedtent opzoekt waar hij als een boa-constrictor ligt te dirigeren tot vijf uur 's middags.'


Basvetterij

Het boek sloeg in als een bom en beleefde liefst 4 drukken. Rob Nieuwenhuys die 8 pagina's aan Bas wijdde in zijn standaardwerk Oost-Indische Spiegel  (1972)  liet in 1977 nog een verkorte herdruk verschijnen. Wie het nu in zijn geheel wil lezen kan terecht bij de DBNL, de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren. Google Bas Veth met een h en u komt er vanzelf.

Zowel in Nederland als in de Oost was men gewend dat de kolonie met waardering beschreven werd: een paradijs bijna. Natuurlijk, de tropenzon werd niet voor niets de Koperen Ploert genoemd, en je kon van de ene dag op de andere kassie wijlen zijn bij een cholera-epidemie of andere tropenziekte.

Maar je kon er goed leven en voor je pensioen een mooi plekje zoeken in de bergen, of met een gevulde geldbuidel terugkeren naar het vaderland. En nu kwam Bas Veth met de boodschap dat er niets deugde in de Oost. Het ergste was dat hij goed kon schrijven in de wat geëxalteerde stijl van de toen populaire Tachtigers.

Studenten die in opleiding waren voor handels- en ambtenaren-functies in Nederlands-Indië waren onder de indruk van zijn betoog en vroegen zich af of ze er verstandig aan deden naar dat naargeestige en geestdodende oord te vertrekken. En dáár schrok men in Nederlands-Indië weer van, want de koloniale maatschappij was gediend met een voortdurende toestroom van jonge krachten.

Er verschenen meerdere boeken en talloze artikelen waarin het betoog van Veth punt voor punt werd tegengesproken en nog tot in de jaren twintig van de vorige eeuw stond het woord "basvetterij" voor "schimpen op de kolonie".  Het veroverde zelfs een plaats in de Van Dale.

In 1900 publiceerde L.C. van Vleuten, een legerofficier die reeds dertig jaar in Indië woonde op eigen kosten de brochure De waarheid omtrent het leven in Nederlandsch-Indië. Protest tegen het boek van Bas Veth (1900). Van Vleuten vertelt dat 'het boek van Bas Veth' na zijn verschijning het gesprek van de dag was, maar zo voegt hij eraan toe, 'gelukkig ging er meestal een kreet van verontwaardiging op.'

Een verwoede tegenstander was ook mr. Paul J. Koster Hzn, die op zijn beurt, vierhonderd bladzijden lang op Holland ging schelden in Uit de nagelaten papieren van een Indische nurks (1904). Hij schetst het volgende portret van Bas:

'Ik herinner me die koopman heel goed. Het was zo'n mollig, bollewangachtig manneke met zelfbewust voorkomen die zich met wanhopende ijver rechts en links liet voorstellen en onvermoeid zijn beroerd klinkend, geaffecteerd "èngenèm" liet horen en daarbij een slap handje gaf. Het was - oppervlakkig oordelende - een ijdel opdringerig kereltje en toch geen Joods type en nu hoor ik dat hij van fijne gereformeerde familie is. Zo zie je, degeneratie is nooit uitgesloten.'

Racisme en antisemitisme zaten in die tijd niet in een klein hoekje.

Ook Hans van de Wall, een bekende Indische schrijver in die tijd, mengde zich in de strijd met een lang artikel in het Bataviaasch Nieuwsblad van 26 juli 1900. Een citaat: 'De heer Veth heeft met opzet al het leelijke, al het onaangename, al het kwaad van Indië en de Indiërs bij elkaar gezocht met voorbijgaan aan het goede dat er hier in menschen en toestanden is. Hij is een dier schrijvers die het vermogen schijnen te missen de lichtzijden van een leven dat niet hun leven is, te vinden.'

 Een tabaksadverteerder haakte in het Soerabaijaasch Handelsblad van 3 november 1900 in op het boek met deze tekst:.

 


Bas Veth advertentie



Een onbekende schrijver

Wie was Bas Veth, vroeg men zich af. En waar had hij zo vaardig leren schrijven?

Zou het een pseudoniem zijn van Henri Borel, een veelvuldig in de tropen vertoevende schrijver en journalist van wie bekend was dat hij veel kritiek had op de koloniale maatschappij?

Maar Borel ontkende in alle standen.

Uiteindelijk werd duidelijk dat Veth een handelaar was die koloniale goederen opkocht en naar Nederland liet verschepen, en omgekeerd katoentjes uit Nederland naar de Oost importeerde.

"Katoentjes verkoper" werd hij daarna denigrerend genoemd door zijn tegenstanders. Bas Veth reageerde nooit op de artikelen en boeken die verschenen als reactie op zijn beschuldigingen over alles wat niet deugde in de kolonie. En wie hij nu werkelijk was bleef grotendeels onbekend.

Zijn Wikipedia-lemma deelt anno 2016 mee:

'Van zijn leven is vooralsnog alleen bekend, dat hij al jong belang stelde in beeldende kunst, muziek en literatuur en als handelaar twaalf jaar in Nederlands-Indië verbleef, onder meer in Padang, Makassar en Soerabaja.'

Maar met enige moeite en vooral dankzij de website Delpher.nl is er inmiddels meer over hem te vinden.

Bas ging op 16 augustus 1879 met het zeil-stoomschip Koning der Nederlanden  naar Nederlands-Indië. Om daar te gaan werken bij de handelsfirma J.F. van Leeuwen  te Makassar.

Hij was 18 jaar oud, oudste van 5 zoons van de welvarende  Amsterdamse reder Jan Veth, had net de HBS afgemaakt en zich laten afkeuren voor militaire dienst wegens bijziendheid.

 

Bas Veth


Hij vond zichzelf een dromer, en een idealist. Het tweede en laatste boek dat hij 16 jaar na Het Leven in Nederlandsch-Indië schreef was getiteld Verhoudingen van 'man en vrouw' en hij vertelde er in over zijn jeugdjaren die hun hoogtepunt vonden als hij zomers naar Alblasserdam ging, naar de woonplaats van zijn grootouders. De wereld van Alblasserdam bleef de rest van zijn leven het ijkpunt. Hij idealiseerde het boerenbestaan en vooral de jonge boerenmeisjes.

'Ja, ik was een kleine minnezanger op dat dorp Alblasserdam, naar wien de boerenmeisjes en ook de boerenjongens gretig luisterden, als ik ze sprak of voorlas uit boeken met liefdesverhalen. Er was daar, dicht bij de rivier de Noord, tegen den Dijk aan, een hoepenschuur en ik weet nog goed dat ik in die schuur 's avonds, in het schemeruur enkele dorpsschonen om me had die vol aandacht en bewondering luisterden naar mijn fantastische liefde-vertellingen. Het werden réunies en de ouders begonnen zich bezorgd te maken.'


Van Alblasserdam naar Macassar

Van dandy en don Juan in Alblasserdam naar de functie van jongste kantoorklerk in Macassar was een grote overgang.  Hij zal in het begin vooral gewoond hebben in het plaatselijke hotel, zoals alle boedjangs (vrijgezellen) die geen eigen woning hadden. Dat hotelbestaan zal de preutse en volgens eigen zeggen wat verlegen jongeman nogal onthutst hebben. Hij schrijft erover:

'Het is nacht, indische nacht . Nacht ook in de indische hotels, in de hokken, die kamers heeten .

Opeens -boem -het schot van vijf uur valt . Poekoel boem zegt de inlander.

Geklop aan tal van hokdeuren . Inlandsche jongens kloppen met hun vingerknoken tegen de hokdeuren. Femeltaal in 't maleisch. Toewan, toewan, soeda poekoel boem, toewan.

Dat toewan wordt een gerekt toe-wa-a-an.

De deuren gaan achtereenvolgens open .

De opstanding der zwarte hetaires, - baboes, prostituees, njaais, die den avond te voren waren binnengeslopen in de hokken der mannelijke bewoners van 't indische hotel.

Voor 't opengaan der deuren hebben de rijksdaalders geklikklakt, de rijksdaalders om mee te betalen de venale liefde, rampzalig vergooid in de hotelhokken.

De deuren gaan open. En het hotel braakt zijn zwarte, venerische bende uit. Bloote-voet-geschuifel over de voorgalerijen der kamers .

Zwarte gedaanten van zwarte vrouwen, met sarongs over het hoofd, verdwijnen in de donkerte over het voorerf van 't hotel.'

Bas geeft grif toe dat hij zelf tijdens zijn verblijf in Indië ook voor vleselijke verlokkingen bezweken is.

'Europeanen, die -als ik eens -den vloek moet dragen, te ademen in de atmosfeer van Indië, weet dat ik alles heb meegeleefd, wat gij meeleeft, dat ik even als de slechtsten onder u in de "zwartste krochten" ben afgedaald, dat ik me heb schuldig gemaakt aan de ergerlijkste indische afdwalingen, dat ik soms maanden lang het gemeene niet zag, wanneer ik greep met grisse hand, wanneer ik loenschte met heeten blik.'

Wat Bas schrijft over de inheemse vrouwen zou tegenwoordig als puur racisme beschouwd worden:

'Want, heusch, als men te Parijs of London of Weenen of Amsterdam leeft en men weet, hoe dan ook, wie de europeesche vrouw is, dan lijken de inlandsche vrouwen ons toe te behooren tot het ras der apen. Hoe is het mogelijk geweest, dat vrienden, dat anderen, dat ik - en bitterheid pijnigt - ooit contact hebben gehad met zulke wezens. Wel moet de sexueele aandrift aan 't koken zijn

geweest, wel moet de brute natuurkracht ons geweldige parten hebben gespeeld, wel moet dat wilde beest als een razende in ons gebruld hebben, dat het bestaanbaar is geweest - hoe kan het zijn, hoe kan het zijn - dat wij ..... ik wil het niet neerschrijven.'

Toch benadrukt hij dat hij géén racist is, hij stelt de Europeaan niet per sé boven de inlander (en zeker de 'Indischman' niet) maar meent dat vermenging van die twee rassen fout zou zijn. En die opvatting kwam vaak voor in zijn tijd.

Om niet ten onder te gaan in de Indische schuinsmarcheerderij koos hij er toen kennelijk voor om zich geheel te storten op zijn werk. J.F. Van Leeuwen was groot in de aankoop en export van koffie en copra en had vestigingen in Batavia, Semarang, Soerabaja, Padang en Makassar. Al in 1883 kreeg Bas procuratie, hij was toen pas 23 jaar oud en pas 4 jaar werkzaam. Maar dat het leven hem totaal niet beviel is te lezen in een brief die tijdgenoot Dirk Hendrik de Vries aan zijn moeder schreef. Dirk kwam in 1883 als 20-jarige naar Indië en schrijft over zijn ontmoeting met Bas Veth het volgende [i]:

'Ik ontmoette op mijn reis een jongeman, geen 23 jaar oud, die door vlijt en energie het ver gebracht had. Hij was procuratiehouder bij een groot huis en verdiende 500 gulden 's maands. Voorwaar een prachtig traktement! En toch had hij, trots de schone vooruitzichten die hem verder nog geopend werden, zijn carrière moedwillig afgebroken. Door de buitenwereld werd hij dwaas en onverstandig genoemd. Mij vergunde hij een diepere blik te slaan in zijn plannen; ik leerde hem kennen als een fijnbesnaard, idealistisch man, die genoeg had van Indische toestanden. Hij was geëngageerd met een meisje uit Holland en bezat al de middelen om in Indië zijn vrouw met alle weelde en gerieflijkheden te omringen en toch miste hij de moed om te trouwen en haar over te laten komen. Hij offerde zijn schitterende carrière op, om in Holland een onzekere toekomst tegemoet te gaan. Liever een bovenhuisje op de Rozengracht te Amsterdam dan een groot huis met een dozijn bedienden in Indië.'

En inderdaad, op 1 maart 1884 gaat Bas naar Nederland met de Prinses Amalia. Hij stapt uit in Marseille om de rest van de reis per trein af te leggen. En, wie weet, iets aardigs te kopen voor zijn verloofde. En daar moet iets misgegaan zijn, want na een half jaar, in december 1884 verschijnt Bas weer op de passagierslijsten die in die tijd trouw werden afgedrukt door zowel de Nederlandse als de Indische kranten. Op 10 december van dat jaar vaart hij per stoomschip Conrad terug naar het zo verfoeide Indië. Op 26 januari 1885 komt hij aan in Batavia en reist dan door naar Padang. En daar blijft hij, bij het Padangse kantoor van J.F. Van Leeuwen.


Een eigen handelshuis

Maar per 1 januari 1886 berichten de kranten dat hij vertrekt bij deze baas. Kennelijk heeft hij nu het plan opgevat om een eigen handelshuis op te richten. Met zijn vader, de reder Jan Veth als stille vennoot richt hij de firma Gebroeders Veth op. Zijn broer Franz Herman is mede-vennoot en vertegenwoordigt de firma op de handelsbeurs in Amsterdam. En Bas doet dat in Padang. De zaken gaan goed, ze exporteren naar Nederland vooral koffie, huiden en gom en importeren vooral katoenen stoffen voor de inlandse markt. Bas blijkt te houden van groots en meeslepend leven en koopt zijn eerste enorme woning, namelijk Ambatjang in Padang. dat later een hotel werd en pas teloor ging bij de aardbeving van 2009 (Ambatjang rechts op onderstaande foto)

 

Bas Veth woning Ambatjan


Als hij in 1891 definitief terugkeert naar Nederland is hij een rijk man. Drie jongere broers zijn partners in de firma en verzorgen vanaf dat moment de zaken in Padang en Amsterdam. Ze zullen niet blij geweest zijn met de ophef die Bas met zijn boek verwekte en gaven ook aanleiding tot reacties als deze van R. Boele in de Sumatra Post van 1 december 1900:

'Zou Bas Veth, indien hij in zijn boek de waarheid schreef, drie jongere broers hebben gelokt naar dat vagevuur? Ik kan u verzekeren dat hij zo onmenselijk niet is en daarom is zijn boek onwaar.'

En deze schrijver, directeur van de in Padang gevestigde Brandassuratie-maatschappij Sumatra had een punt. Hij kende Bas Veth, want die was in 1889 commissaris van dit bedrijf. Maar Bas reageerde ook niet op deze aanval.

Na 1891 is hij nog één keer terug gegaan naar Indië, in 1897, om in Makassar nog wat zaken af te handelen. Toen leerde hij de schrijver Henri Borel kennen aan wie hij in de daarop volgende jaren vele lange brieven schreef. Meestal niet over zichzelf maar over concerten die hij had bijgewoond in het toen nieuwe Concertgebouw in Amsterdam met Mengelberg als dirigent en pianist of over het werk van kunstenaars zoals de door hem bewonderde schrijver Frederik van Eden.

Hij vereerde Heinrich Heine en had een buste van de schrijver op zijn bureau staan. In zijn werkkamer hangen portretten van Byron, Schubert en Wagner, een grote foto van Van Deyssel en een afbeelding van Ibsen.

In zijn brieven toont hij zich een echt gevoelsmens die mateloos kan bewonderen  en zelfs dwepen maar ook mateloos kan haten. Alhoewel hij lid is van De Groote Club in Amsterdam en als zakenman veel contact moet hebben met anderen, zijn er maar weinigen met wie hij zich bevriend acht. Zowel in de tropen als later in Nederland heeft hij sterk de neiging zich terug te trekken, ook met zijn broers is het contact beperkt.

'Niemand begrijpt mij' schrijft hij meermalen vanuit Amsterdam naar Henri Borel, met de aangeschrevene natuurlijk als uitzondering. Maar je krijgt niet de indruk dat hem dat erg verdriet of verbaast en dat is eigenlijk ook wel logisch. Want met zijn bijzondere aanleg voor het koopmanschap en tegelijk behoefte aan kunst en letteren hoorde hij in geen van beide werelden echt thuis. Op de foto (1897) zitten beide heren met het gezin van Borel in de tuin van Borel's huis in Makassar. Bas Veth is de welgedane heer links.

 

Bas Veth en Henri Borel



Giza Ritschl

Bij terugkeer in Europa  bleef hij in Amsterdam actief voor de firma Gebroeders Veth, maar ging ook reizen. En toen in 1896 bij een treinreis een ongeluk plaats vond kreeg hij Giza Ritschl op schoot. Zij was een Hongaarse artieste bij circus Carré en Victor van Vriesland beschreef haar als volgt:[ii]

 

Bas Veth - Giza Ritschl

 

'Zij was met een circus meegekomen uit Boedapest, per trein. Haar taak bij dat circus was, geloof ik, om in een tutu, zo'n prachtig balletrokje, door een papieren hoepel heen op een breed gezadeld schimmelpaard te springen. Dat was haar stunt. Ze was toen een kind van een jaar of zestien, een beeld van een meisje moet ze geweest zijn. Toen kreeg de trein, met dat hele circus en al die wilde dieren, in Nederland een ongeluk. En zij kwam door de schok terecht op de knieeën van de man tegenover haar, en dat was Bas Veth. Giza had het later altijd over haar Eisenbahnglück inplaats van haar Eisenbahnunglück.'

Giza en Bas gingen met hond Tommy al snel samenwonen in zijn méér dan royale woning aan het Sarphatipark 25 en later aan de Leidschekade 78, een huis van 10 kamers verdeeld over 420 m2.  Daar ging zij in het Nederlands gedichten schrijven, die via Bas' vriend Henri Borel bij Frederik van Eeden terecht kwamen. En die was vol bewondering en zorgde voor een uitgave van haar eerste bundel Verzen in 1901. Kloos en andere Tachtigers waren grote bewonderaars van de wat naieve en kinderlijke gedichten van Giza.

Merkwaardig is dat Kloos bij het uitkomen van de bundel kennelijk vergeten was dat hij eerder door anderen in verband was gebracht met 'mevrouw Veth' zoals Giza zich liet noemen. En wel op een manier die hem onaangenaam verrast had. In zijn briefwisseling met Willem Witsen schrijft Kloos op 17 december 1899:

'Ik beleef een tijd van verschrikkelijke emoties, die niet altijd aangenaam zijn. Zoo hoorde ik gisteren in Amsterdam, waar ik met Jeanne heen was gegaan, om bij Hein en Dientje te eten, dat het volgende praatje over mij rondloopt: Ik zou wonen op kamers in de Amstelstraat, met mijn maitres, die rijderes is bij Carré. Verster hoorde dit van Linn in Bussum, die het weer had van zijn oom Witsen. Verster is toen naar Amsterdam gegaan naar den parfumeur in de Amstelstraat, waar ik heette te wonen.

Die hebben hem verwezen naar Bas Veth, waar Mevr. Bas Veth, toen Verster er over begon, positief verzekerde, dat mijn engagement af was. Nu is het zonderlinge dat ik noch Bas Veth, noch zijn vrouw in de verste verte ken, dat ik dien naam, een jaar of wat geleden, alleen wel eens in de krant heb gezien.'

Later op 9 augustus 1900 dit vervolg:

'Nu zal ik je eens iets curieus' vertellen. Eenigen tijd geleden kreeg ik een waarschuwing over belasting voor de gemeente Amsterdam over 't jaar 1897-98. Ik schreef den ontvanger toen een brief, dat ik in Nov. 1895 uit Amsterdam was verhuisd, en dat ik in 1897-98 belastingbetalend bewoner van Bussum was geweest, dus dat er een vergissing in 't spel moest zijn. Doch daar werd blijkbaar niet op gelet, want eenigen tijd later ontving ik een dwangbevel van den ontvanger hier in den Haag. Ik heb toen nogmaals naar Amsterdam geschreven, en kreeg toen eindelijk antwoord, dat die kwestie gold een W. Kloos geb. 13 Dec. 1871. te Batavia, en dat, daar het scheen dat die een andere was dan ik, de vervolging tegen mij zou opgeheven worden.

Ik zal nu nog eens bij den onvanger hier informeeren, of die vervolging werkelijk opgeheven is.

Die andere W. Kloos, van wien ik nu voor 't eerste hoorde, is misschien een kleinzoon van een oud-oom van me.

 Nu, Wim, veel groeten aan jou en de jouwen van

je

Willem (en Jean)

Ik ga nog maar even door. Want zoo meteen gaan Jeanne en ik toch eten bij Mevr. v. Stuwe.

Ik ben eigenlijk wel een beetje blij over die belasting-kwestie, want nu begrijp ik opeens, hoe er zooveel praatjes over mij hebben kunnen rondloopen: b.v. wat Kees Verster had gehoord, dat ik in de Amstelstraat zou wonen met een rijderes van Carré. Hij was toen naar dat adres gegaan, en daar hadden ze heel geheimzinnig gedaan, en hem, over mij, verwezen naar Mevr. Bas Veth. Die zou hem meer kunnen vertellen, zeiden zij. Indertijd hield ik dat verhaal zoo'n beetje voor een flauwe mop van Verster, maar nu kan het wel zijn, dat het die verre neef van mij is geweest.'

Er is inderdaad een W. Kloos geboren op 13 december 1871, zoon van E.M.C.C. Kloos, geboren Kobold (!) maar helaas is over zijn handel en wandel verder niets te vinden.

En als de eerste verzenbundel van Giza verschijnt lijkt Kloos deze geschiedenis glad vergeten te zijn, want hij komt er niet op terug. Giza zal tot diep in de jaren dertig met het echtpaar Kloos contact onderhouden

Kloos behoorde tot haar eerste bewonderaars maar ook Jacob Israël de Haan, destijds onderwijzer in Voorschoten was idollaat van haar. Hij liet zijn kinderen op het plaveisel van de straat schrijven: 'Giza Ritschl komt!'

Gerrit Komrij schreef over haar: 'Zij was een mooie meid die met het Hongaarse circus was meegekomen. Alle Nederlandse dichters renden achter haar aan en schreven haar bundels de lucht in.'

Haar gedichten waren kort en maakten juist omdat zij het Nederlands niet goed beheerste, een heel originele indruk. Kort en eenvoudig formuleren was de Tachtigers niet gegeven, en daarom kwamen Giza's liefdesgedichten hard aan. Zoals deze:

'Ik ben wild als een kind

Ik lach als bonte bloemen

Ik heb een man bemind

Dien ik niet zal noemen.'

 

De niet genoemde man was ongetwijfeld Bas, over wie zij zich in dichtvorm ook openlijk beklaagde:

'Tot mijn groote spijt

is hij nooit op tijd'

 

en in een ander gedicht:

'Hij is graag uit alleen, 

ik thuis stil en ween.'

 

Bas was vermoedelijk een rund in de omgang met zijn geliefde. Toch woonden ze acht jaar samen, maar alhoewel Giza zich graag mevrouw Veth liet noemen trouwden ze niet en al helemaal niet in de kerk.  Bas was niet alleen atheïst maar ook een tegenstander van het huwelijk als instituut. Hij schrijft daar uitvoerig over in zijn Verhoudingen van 'man en vrouw' en valt daarin de hypocrisie aan van de Nederlandse maatschappij die accepteert dat de man voor het huwelijk seksuele relaties onderhoudt, maar van de vrouw eist dat zij kuis is en van toeten nog blazen weet als ze trouwt.


Een dure stijl van leven

Het gaat Bas naar den vleze in zijn jaren met Giza. Dankzij het succes van de firma Gebroeders Veth kan hij in één van zijn brieven aan Henri Borel constateren dat de duizendjes binnen blijven rollen. Hij gebruikt het geld voor reizen met Giza naar Hongarije, Italië, Duitsland en houdt er thuis een dure stijl van leven op na. Frederik van Eeden, die overigens niet te beroerd was om bij Bas aan te kloppen als hij geld nodig had voor zijn Bussumse kolonie, schreef aan Henri Borel op 29 oktober 1900:

'Terwijl het mij tegen de borst is, deel te nemen in het lekkere leventje van iemand als Veth, die beweert moreele gevoelens te hebben, en brommend zedepreekt over Indië, en zelf zonder gedachte of geweten duizenden guldens - het bloed van den arbeider - vermorst aan zijn geringe neiginkjes van lekker en voornaam.'

Die zat.

Dat Bas ook kon bewonderen blijkt uit één van de langste brieven die hij aan Henri Borel schreef. Daarin beschrijft hij minutieus de wijze waarop Giza en hij hun royale pand aan de Leidsekade hebben ingericht. En hij eindigt met het beschrijven van het schilderij dat in de salon hangt:

'En nu het bizondere! In de salon hangt één schilderij in zeer strenge dof-vergulde lijst, die aansluit bij het gele behangsel. Raad eens van wie? En raad eens welk stuk?

Vincent van Gogh's "Rhone bij avond"!  



Bas Veth - Van Gogh


 

Misschien het mooiste stuk van deze Meester.

Alles is donker-diep-indigo-blauw.

Aan de oevers huisjes, waarvan de lichtjes spiegelen in 't donkere zwart-blauwe, kabbelende vloeiende water. En aan de hemel sterren die zóó schitteren als nooit een menschenhand vermocht te geven.
En op den voorgrond een eilandje in iets groenigs van tint, twee vaartuigjes liggen aan de wal, hun zwarte masten komen nog even uit tegen de nachthemel.
Héél vooraan, in 't vage, twee menschen die hand in hand lopen, somber, eenzaam, op dat groenige eilandje in de Rhone bij nacht, vol sterren die fonkelen.
O! dat stuk geniewerk is zoo heilig!
En elken dag wordt het inniger, grooter, onvergetelijker.
Dit schilderij is een bijbel, een wijding, een godsuiting.
Hoe is 't mogelijk dat ik die heiligheid, voor een worp gelds, heb kunnen brengen onder mijn dak!
Hoe kan 't zijn dat de Wet me toelaat die Openbaring van de opperste heerlijkheid van den Mensch, mijn 'Eigendom' te mogen heeten.
(...) Ik heb me lang afgevraagd: hoort deze Van Gogh in zo'n luxueuze salon, vol weelde, mondaine weelde. Maar het forsche kan toch ook bij het teere staan, als er harmonie is en die is hier.'

Kortom, Bas hield het schilderij toch maar voor zichzelf. Hij had Rhone bij avond en nog twee andere schilderijen van Van Gogh in 1899 gekocht bij Jo van Gogh-Bonger, de weduwe van Theo, voor het toen niet geringe totaalbedrag van 1450 gulden. [iii] Ze kwamen pas weer in de openbaarheid toen hij in 1921 overleed en zijn erfgenamen ze als de bliksem verkochten voor véél geld (in totaal 44.000 gulden!). En via via via kwam de sterrennacht uiteindelijk terecht in het Musée d'Orsay dat het doek in 2015 weer uitleende aan het Van Gogh museum in het kader van de tentoonstelling Münch-Van Gogh.

In 1904 vertrok Giza uit het huis aan de Leidsekade. Ze was ongelukkig met haar leven als concubine en Bas wilde niet trouwen. Ging het in haar eerste bundel vaak over de letterlijke en figuurlijk afwezigheid van de geliefde, in haar tweede bundel, getiteld Nieuwe Verzen (1904) dichtte zij geregeld over een ontrouwe geliefde. Hun relatie eindigde kennelijk toch in harmonie, want hij kocht een royale villa voor haar in Bloemendaal (Hartenlustlaan 13, gebouwd in 1902) en bleef haar financieel steunen.  Opvallend in het licht van Giza's dichterlijke beschuldigingen is het feit dat hij al twee jaar later, op 20 november 1906 trouwt (!) met Caroline Kleine, sinds 1900 weduwe van de violist en dirigent Frederik Wilhelm Timmner. 

Toen Bas 56 jaar werd moet hij het besluit genomen hebben dat er een punt achter het zakendoen gezet kon worden. De broers hadden zich goede zakenlui getoond en de firma tot een klein imperium uitgebouwd dat zelfs eigenaar was van de de eerste (en tot op heden bestaande) cementfabriek in de kolonie [iv]. Blijven wonen in Amsterdam was dus niet meer nodig. Het echtpaar verhuisde in 1916 naar Nijmegen en ging wonen in een voor hem door architect Willem Hoffmann in Engelse landhuisstijl gebouwde villa (Het Heidehuis, Louiseweg 12, nu een monument). Enkele jaren later trok de Randstad toch meer en verhuisden ze naar Bussum, Brediusweg 54, ook al zo'n kapitaal pand. Het huwelijk bleef kinderloos maar de dochter Hermana (Teun) Timmner uit Carolina's eerste huwelijk kon dankzij de erfenis een zorgenvrij leven leiden als beeldend kunstenaar.

In 1920 werd Bas ziek, zo ernstig ziek dat hij permanente verzorging nodig had. Dat blijkt uit een advertentie die zijn weduwe na zijn overlijden in de Telegraaf plaatste (17-2-1922) en waarin zij haar hartelijke dank betuigt aan de dames pleegzusters A. van Dijken en A.S. Hooft Graafland 'voor hare liefderijke verpleging gedurende twee jaar van wijlen de WelEd. Geb. Heer Bastiaan Veth.'

Zijn dood, op 4 februari 1922 leidde tot enkele artikelen over zijn in 1900 verschenen scheldkannonade. Maar de toon van deze stukken is welwillend, men constateert dat Bas in veel opzichten gelijk had gehad en dat met name het hotelwezen na zijn kritiek sterk verbeterd was. Zijn oude vriend Henri Borel verdedigt hem in Het Vaderland nog wel tegen een aanval van de Amsterdamse correspondent Omega van De Sumatra Post die in zijn In Memoriam te kennen gaf dat Bas in Nederland net zo'n ongelukkig en eenzaam bestaan had geleid als in de tropen. Borel wees erop dat Bas alleen in zijn laatste ziektejaren een teruggetrokken bestaan had geleid, maar tijdens zijn verblijf  in Amsterdam dagelijks de Groote Club bezocht, graag en veel reisde, een groot liefhebber was van theaters, concerten, schilderijen en literatuur en als kunstbeschermer menig jong schilder 'op kiesche wijze financieel had ondersteund.' En Borel's betoog wordt onderstreept door een bericht in de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant van 7 februari 1922 waarin aandacht wordt besteed aan het overlijden van de oud-stadgenoot 'die tijdens zijn verblijf hier ter stede vele vrienden had.'

Borel verdedigt in zijn  stuk ook nogmaals de kritiek die Veth had op veel toenmalige toestanden in de Oost en wijst erop dat inmiddels (mede dankzij die kritiek) daar veel in is verbeterd. En tot slot:

'Zijn fout, of liever zijn gebrek was, dat hij geen oog had voor de schoonheid der Indische natuur en evenmin voor de fijnheid en diepte der oud-Javasche cultuur; hij had ook niet de minste aanraking ooit met de ziel van de Oostersche volken in onze koloniën.(...) "Het Leven in Nederlandsch-Indië" dat zoveel stof heeft doen opwaaien in 1900 en later (...) is, geheel afgescheiden van de juistheid of onjuistheid van zijn oordeel, een boek met een sterk, van intensiteit trillend sentiment.

En daarmee lijkt Bas Veth door zijn vriend Henri Borel goed getekend, als mens, als koloniaal en als schrijver.

 


Noten 


[i]             Een Een Amsterdamse koopman in de Molukken 1883-1901, brieven te lezen op http://dirkhendrikdevries.blogspot.nl/

[ii]            Victor van Vriesland - Herinneringen (Querido 1969)

[iii]         The account book of Theo van Gogh and Jo van Gogh-Bonger pag. 175.

[iv]   NV Nederlandsch-Indische Portland Cement Maatschappij  opgericht in 1910 onder directie van Gebr. Veth. Het is de oudste Cement-fabriek van Indonesië en heet tegenwoordig Semen Padang Company

 


Terug