Jan Cremer - De Hunnen (1984)

Recensie van Hans Vervoort in NRC-Handelsblad, 24-02-1984



Eenmansguerilla



Nu de generaties die de tweede wereldoorlog Bewust Hebben Meegemaakt langzamerhand wat uitverteld raken, komt een nieuwe groep naar voren: oorlogskleuters schrijven hun memoires. Jeroen Brouwers beschreef enkele jaren geleden zijn veelgesmade, wat overdreven geachte herinneringen aan het Jappenkamp. Bezonken Rood is een zomeravond-idylle in vergelijking met de bakken angst en geweld die Jan Cremers geheugen leegstort op ruim 1500 pagina's. Cremer heeft er naar eigen zeggen elf jaar aan gewerkt, veel bronnenstudies geraadpleegd, is gaan praten met mensen die een rol speelden in zijn verleden.

En op 10 februari jl. konden recensenten de drie dikke delen van De Hunnen (Oorlog - Bevrijding -Vrede) afhalen. Een treurig rijtje laffe letterknechten, die met bevende hand en boerend van angst het embargo-contract tekenden, waarin stond dat hun de tong uitgerukt en de vingers gebroken zouden worden als zij vóór 22 februari iets zouden publiceren over Cremers eigen wereldoorlog. De gure wind sneed door hun dunne winterjassen en terwijl Andropov -- opperbaas der Hunnen -- van havik veranderde in een dode duif, terwijl in Amsterdams binnenstad de knuppels geslepen werden voor het gevecht om Wyers, de laatste nog beschikbare woonruimte in de overbevolkte stad, terwijl de bevolking als razende koffie hamsterde omdat de prijs weer een dubbeltje omhoog zou gaan, fietsten de recensenten op hun krakende Gazelles naar huis, schrokten hun waterige bonensoep naar binnen, stootten vrouw en kinderen ruw van zich af, lazen en lazen en vielen al lezend diep in de nacht in slaap, elk uur wakker schrikkend van de nachtmerries.



Overvloed

Met zo'n 1500 pagina's is De Hunnen alleen al qua omvang een verpletterend boek. Een saga noemt Cremer zijn trilogie en niets is mooier dan een saga: het heroïsch verslag van de lotgevallen van een familie , stam, volk. Hoe zij ten onder gingen en toch weer boven kwamen. 

In de saga krijgt de individuele tragiek en de kortheid van het mensenbestaan een nieuwe dimensie: alles maakt onderdeel uit van een groter gebeuren, de optelsom van nietswaardige leventjes wordt een bundel van niet te pletten kracht. Zoiets moet Cremer voor ogen gestaan hebben toen hij zijn eigen oorlogsjeugd verweefde met de geschiedenis van het volk van Attila de Hun, waar hij zich als half-Hongaar een nazaat van voelt. Zo'n dubbel-verhaal is al moeilijk genoeg, maar Cremer is niets teveel. 

De Hunnen is ook een portret van Enschede, de textielstad, geregeerd door textielbaronnen. Een beschrijving van de achterbakse, 'vrömden' wantrouwende Enschedese bevolking, en van de Hongaarse gemeenschap die na de eerste wereldoorlog (kindertransporten) in die stad ontstond, de eerste gastarbeiders. 

De Hunnen is een pamflet tegen de Kinderbescherming die Cremer van zijn moeder probeerde te scheiden. Maar evenzeer een beschrijving van de zwarte handel en het bendewezen in het machtsvacuum tussen bezetting en bevrijding . 

De Hunnen vertelt over onschuldige dieren die altijd het slachtoffer zijn van de wrede mens en maakt vegetariërs van de meest geharde vleesliefhebbers . En het schildert Breugheliaanse taferelen van het het boerenleven, vol druipend spekvet, drek en winden en uit egoïsme geboren sluwheid. Het is de oorlogsgeschiedenis van zijn familie van moederskant, de Hongaren die in de tweede wereldoorlog de zijde van de Duitsers kozen, en alleen slachtoffer konden worden, wie er ook won. Maar het geeft ook een nieuwe kijk op de Binnenlandse Strijdkrachten en het Verzet in het algemeen: tuig van de richel dat terreur verving door terreur en uiteindelijk vooral de eigen zakken spekte (veiligheidshalve staat op pagina 1: 'Situaties en personen, in mijn boek beschreven komen uitsluitend voort uit mijn verbeelding ').

Bij Cremer past natuurlijk ook veel sex, al is dat in de memoires van een kleuter wat moeilijk waar te maken. Het is vooral hardhandige sex, betaald of met mes of vuurwapen afgedwongen, en het gaat om overvloedig wulps vlees en forse schaamlippen. Het gebeurt met reuzensuikerbieten en komkommers, er wordt geramd met flessen en vuisten en pistolen, er wordt gerukt en gestoten en gespoten, er worden kippen bij gebruikt en koeien en alles wat maar te pas kan komen. Never a dull moment. 

Al deze thema's en deel-vertellingen komen uiteindelijk toch neer op het oer-thema van sex en geweld, macht en vernedering, door Cremer verteld in een vreemde mengeling van fantasie en werkelijke herinneringen, stilistisch variërend tussen opgewonden pamflettaal, Bouquet-reeks romantiek, porno-clichés en simpele, zuivere beschrijvingen vanuit het kinderoog. Het kost grote moeite om uit deze veelheid de essentie te kiezen, maar het gaat - denk ik -­ uiteindelijk toch om Cremers eigen oorlogsjeugd, waar al het andere aan is opgehangen.





Het verhaal 

Jan Cremer Sr was een reislustige smid-electriciën die geregeld aan zijn Enschedese werkplaats het bord 'Gesloten wegens wereldreis' hing en per fiets naar verre landen trok. Reisreportages in Tubantia hielpen in het levensonderhoud. 

In 1937 belandde de 'Grote zilverblonde man met het getaande gelaat van de ontdekkingsreiziger, gelooid door vele verre reizen in de zon' in Budapest. Hij was 60 jaar. 'Vele vrouwen had hij liefgehad en vele vrouwen hadden hem begeerd. Maar Cremer had eeuwige trouw beloofd aan de 'Vrijheid' en voor alle vrouwen bleek dat woord te hoog in zijn vaandel. Zou hij ooit weer een vaste vrouw willen dan moest dat een Hongaarse zijn, wereldberoemd om haar schoonheid en temperament.' Een Hongaarse werd het dus, Rodina Szomorkay, de mooiste aller vrouwen, driemaal jonger dan hij. Hij zou haar meenemen naar Enschede. 'Hij zag zichzelf al wandelen op straat, nagestaard door de mensen die achter zijn rug fluisterden.' 

En op een avond in Budapest: 'Terwijl de zigeunerkapel virtuoos de sterren van de hemel speelde, waardoor tranen achter vele ogen welden en melancholie bezit nam, van de ziel, terwijl de kelner een nieuwe fles witte wijn in het ijs van de koeler stak, keken zij in elkaars ogen en dronken op elkaars geluk. De ontdekkingsreiziger vroeg haar zijn vrouw te worden.' Ondanks het verzet van haar familie trok Rodina twee jaar later naar Holland ('Het brood zal je weer naar huis lokken' riepen ze haar na in de koude nacht). En op 20 april 1940, de verjaardag van Hitler, werd Cremer een zoon geboren. Senior was alweer even op reis, maar conform zijn wens werd de zoon Jan genoemd. Het kind was met de helm geboren wat hem onkwetsbaar zou maken voor kogels, een nuttige eigenschap voor de komende jaren. 

De oorlog bereikte Enschede al snel en de om zijn eigenzinnig gedrag toch al weinige populaire Cremer Sr wekte het misnoegen van de nieuwe autoriteiten door in zijn stamcafé NSB-ers te schofferen en zijn kippen Adolf te noemen en zijn haan Heinrich. Hij kreeg meldingsplicht en werd in het najaar van '42 door een WA-gang te pakken genomen. Hij overleed aan de opgelopen steekwonden. 

Rodina bleef eenzaam achter en stak zich in de rouw. De Hongaarse 'zwarte weduwe' werd een begrip in de buurt. Zij sprak nauwelijks Nederlands en ook Jantje kende weinig anders dan Hongaars. Cremer Sr had onder het motto 'liever 100 gulden schuld dan 5 minuten verdriet' veel krediet op genomen en de schuldeisers plunderden huis en werkplaats leeg. Totaal berooid moest de jonge weduwe met haar zoontje de oorlog zien door te komen in een omgeving die 'vrömden' haatte en zéker de nagelaten betrekkingen van Cremer Sr. Vrömden stonken naar uien en knoflook, ze spraken een vreemd taaltje en hadden vreemde gewoonten. Elke meevaller werd het duo afgenomen door verraad van de buren, afwisselend werden ze uitgescholden voor Bolsjewiek of vanwege het Hongaarse accent aangezien voor Duitsgezind. 

'Rodina werd mager en ik kreeg honger. Tegen het einde van de middag knorde mijn maag meestal aan één stuk door. Vaak dekte moeder voor het avondmaal de tafel alleen voor mij. Ze keek toe terwijl ik at. 'Mamuszka moet eten!' gebood ik en schoof haar mijn brood toe. 'Mamuszka hééft gegeten!' loog ze en glimlachte terwijl ze met korte tikken op haar holle buik klopte.'

Door zich te verhuren als werkster, kokkin, wasvrouw, lukt het Rodina om een mager kostje bijeen te scharrelen, maar Jantje wordt zelden getolereerd in de werkhuizen en moet opgesloten worden. Dat bevalt hem maar matig en hij ontsnapt geregeld. Dat geeft de Kinderbescherming weer aanleiding om geregeld pogingen te doen Rodina haar kind af te nemen, en aan het eind van de oorlog vluchten ze naar de gierige, zich nimmer wassende boer Pelle waar Rodina de rol van huishoudster op zich neemt.

Het is een schrijnend verhaal, door Jan Cremer consequent verteld vanuit de optiek van het kind, dat gebeurtenissen ondergaat zonder goed te begrijpen waarom die plaats vinden. Slag op slag krijgen moeder en kind te verduren en temidden van die rotzooi ontwikkelt zich hun verhouding: de jonge onervaren moeder die haar kind trots wil leren (Hongaren stelen niet, Hongaren bedelen niet) en het kind dat wel bereid is zich te harden in het verdragen van pijn en honger, maar overleven toch het belangrijkst vindt. Jan junior is aan het eind van de oorlog, vijf jaar oud, al rijp genoeg om in de Ekster-jeugdgang mee te doen, overal zijn kostje op te scharrelen, te bedelen aan het hek van de Amerikanen. 

'Ik stond aan de poort en trok de soldaat aan zijn mouw zodra hij buiten het gehoor van de schildwacht was. 'Fukkie, fukkie?' vroeg ik, fluisterend. Fronsend keek de grote neger mij aan en rukte zich los. Ik liep met hem mee, aarzelde en trok weer aan zijn mouw. Ik was toch een beetje bang voor negers. De eerste keer dat ik een neger zag keek ik mijn ogen uit. Er waren geen zwarten in de fabrieksstad. Negersoldaten vraten kleine kinderen op, met huid en haar, vooral Duitse of Duitssprekende kinderen en rauw... De soldaat bleef staan en keek de straat rond. Hij schudde zijn hoofd, keek mij grijnzend aan en begon hard te lachen. 'How much' zei hij, 'and where?' Ik lachte terug, liet mijn tanden zien. 'You look you like', zei ik mijn lesje op, 'Ten gulden'.'



Een video 

Na de oorlog trokken de Cremers opnieuw aan het kortste eind. Alle min of meer foute buren blijken ineens in het verzet gezeten te hebben. Slager Popp 'kon verklaren dat het door hem aan de Wehrmacht geleverde vlees vol maden en wormen zat, zodat de soldaten buikkramp kregen en ziek als een hond niet meer op de Nederlanders konden schieten. Zo kon Nuis de schoenmaker aantonen dat hij steeds te kleine schoenen had verkocht aan de Duitse Officiersvrouwen en daardoor de bezetter had gehinderd. De bakker Siebel werd op het bureau van politie ontboden voor een eerste verhoor. Om het moreel van de vijand te ondermijnen hadden de twee broers steeds laxeermiddelen in het brood en banket verwerkt dat zij in ruime mate aan de SD en Duitse families leverden.'

De Cremers hebben niets te verontschuldigen en komen dus in de gevangenis terecht, verdacht van Duitsgezindheid . Door tussenkomst van een Hongaars sprekende Amerikaanse officier komen ze weer vrij, maar op school neemt Jan zijn plaats in tussen de Vido's (Verboden in de omgang) en hij vindt pas rust als hij een paar weken mag verblijven in een Jugendheim van het Duitse Rode Kruis, toevluchtsoord voor 'foute kinderen' en oorlogswezen.

'Voor het eerst in mijn leven was ik tussen kameraden, voelde ik mij thuis en niet meer opgejaagd, wilde ik niet weglopen, wilde ik dat ze mij zouden vergeten als ik met de trein terug moest naar Holland. In stilte hoopte ik dat ik altijd in Duitsland mocht blijven !'

Het boek had hier kunnen stoppen, een waardige tegenhanger van al die verhalen over Hollandse solidariteit en tolerantie van minderheden. Maar voor Jan Cremer was het nog niet afgelopen en hij voegt er vele pagina's aan toe over zijn twaalf ambachten en dertien ongelukken en al zijn pogingen om te ontsnappen aan het textiel-milieu, achtervolgd door de Kinderbescherming ('Pupil lijkt geen gevoel te hebben') en het dossier van zijn vader en de goede bedoelingen van zijn moeder.

Totdat hij eindelijk, zestien jaar geworden, zich met hulp van diezelfde kinderbescherming kan ontworstelen aan de ouderlijke macht ('Het brood zal je weer naar huis lokken', riep Rodina hem na) en tekent voor marinier. 'Ik zou nog sneller worden dan het weerlicht. Snel als de windhond, taai als leer, zo hard als staal! Specialist in het overleven en ontvluchten. Ik zou mij vastbijten in mijn devies: Het leven is een eenmansguerrilla '.



Het teveel 

De Hunnen is, hoe indrukwekkend ook van opzet, uiteindelijk toch een grootscheepse mislukking geworden. 

Cremer heeft te veel tegelijk willen doen en is daaraan ten onder gegaan. Zo is het nogal ongeloofwaardig om in één boek het treurig relaas van verschoppelingen op papier te zetten en tegelijk bewonderend de zegetocht van Attila's horden te beschrijven: 'Te vuur en te zwaard veroverden zij de aarde, niets dan stof en as, geblakerde steen, kapotte artilleriewapens omwoelde grond achterlatend. Een verkoold maanlandschap met burchten en steden, ontwortelde bomen en verwoeste kerken, vergaan tot as. Wouden met bleke kronkelende boomkruinen -- aan palen gespieste lichamen -- en bergen afgerukte ledematen, dode paarden, ingedeukte pantserplaten en kurassen, gebroken lansen en sabels. Met stormbokken ramden ze de poorten in, staken de kerken in brand waarin de bevolking zijn heil had gezocht, verkrachtten en misbruikten de vrouwen, onthoofdden de priesters en edelen, en voerden de afgeslagen hoofden op lansen gestoken mee als trofee. (..) Blinkende sabels werden tot aan het gevest in weke lijven gedreven, tot aan hun knieën waadde men door de ingewanden van mens en paard, de gal werd uit nog levende mensen gesneden, de vrouwen en kinderen werden gemarteld, zwangere vrouwen aan de benen opgehangen, de buik van onder tot boven opengesneden, en het kind dat op de grond gleed, doorstoken.'

Dit gaat pagina's door, en niet één keer maar vele malen, telkens datzelfde 'epos' van glorieuze vernietiging , zonder dat Cremer lijkt te beseffen hoe incongruent het is om dit te combineren met het verhaal van zijn eigen slachtoffers-lot. 

Een soortgelijk gevoel bekruipt je bij het lezen van de vele vele beschrijvingen van seksueel geweld. Aan de ene kant is er de voortdurende angst dat moeder Rodina 'gepakt' zal worden door de rondzwervende soldaten en (later) BS-ers. Aan de andere kant zit er in de beschrijvingen een genot dat de jonge Cremer niet gekend kan hebben, maar dat heel goed past bij de obsessies van de latere schrijver Cremer. Het leidt tot passages van pure KZ-porno: 'Werden ze verhoord, kregen ze klappen met de knuppel, en tikken op de bek, maar ze zeiden geen woord. Kregen ze de waterslang in de mond, of werden ze op de grond vastgehouden en de slang in kut of kont. Je zag zo'n wijf opzwellen, maar ze gaven geen kik. Moesten ze de hele nacht gehurkt op een fles zitten, de hals zo'n beetje half in de aars gepropt'. Enzovoorts, enzovoorts. Hier is weliswaar de ex-SS-er Smokkelgraads aan het woord, maar zijn herinneringen en die van soortgenoten Bohemerfrans en Franse Toon worden door Cremer als smakelijke tussendoortjes geoffreerd. 

Er zal nog wel heel wat gediscussieerd worden over het waarheidsgehalte van Cremers Wereldoorlog. Ik ga ervan uit dat iedereen recht heeft op zijn eigen oorlog, al dan niet gefantaseerd, zolang het verhaal maar klopt, of er tenminste een poging gedaan wordt om tegenstrijdigheden te verklaren. 

 

 

Herhaling 

Daarin schuilt een zwakte van De Hunnen. Cremer is niet alleen moeilijk te volgen in zijn afschuw van geweld en tegelijk de verheerlijking daarvan, maar er is ook een duidelijke tweedeling in de oorlog die hij beschrijft. Wat Jan en zijn moeder zélf overkomt wordt heel droog en overtuigend verteld. In Ik Jan Cremer en later werk zijn diverse gebeurtenissen al eerder beschreven en als je die verhalen legt naast de vergelijkbare passages in De Hunnen, dan blijken ze heel goed te kloppen. In De Hunnen is alles wat dramatischer aangezet en staan geweerbedreigingen die in eerdere versies ontbreken, maar het blijft een droog verhaal.

Zodra het echter gaat om gebeurtenissen buiten de huiselijke sfeer is elke rem weg en komt er geen eind aan de gruwelen. Het lijkt wel alsof Cremer de verhalen en fantasieën die kinderen aan elkaar vertellen in de loop van de tijd als werkelijkheid is gaan beschouwen. Hij ziet de taferelen voor zich en beschrijft ze in detail met schildersoog, zonder zich te realiseren hoe raadselachtig het dan wordt dat de jonge en mooie Rodina, slachtoffer bij uitstek, nooit in handen is gevallen van die horden sex-beluste soldaten, boeren, jeugd-gangs, BS-ers. Dat is verhaal-onlogica.

Een andere zwakte van het boek ligt in de eindeloze herhaling. Op den duur weet je: als Cremer even van zijn eigen directe oorlogsbelevenissen af wil, dan volgt een stukje sex, of Attila-geweld, of weer eens een bombardement. De schrijver schakelt over op de automatische piloot en in horden van woorden ontrolt het tafereel zich over vele pagina's: 'Rochelende mensen die kreunden om hulp, anderen die wezenloos voor zich uitstaarden, zacht snikten. Opengereten lichamen waarvan een zoetige strontlucht opsteeg. De stank vermengde zich met de reuk van verbrand vlees. Stukken ingewanden lagen op de straatstenen, een arm, een been, achtergelaten door de zwerfhonden die met stenen waren verjaagd. Omringd door zware balken, stenen en gruis, lagen verpletterde vrouwen en kinderen ineengekrompen op de stoep. Darmen hingen uit kapotte lichamen. Sommige mensen hielden hun mond wijd open. Gestold bloed kleefde op kinnen en wangen. Die waren al te pakken genomen door de jakhalzen, de geheimzinnige roofdieren die razendsnel opereerden in het duister van een bombardement, gouden kiezen met tangen uit de monden trokken, ringen van de vingers sneden en even snel weer verdwenen'.

Cremer moet gedacht hebben dat geweld en ellende niet vaak genoeg herhaald kan worden, maar het effect bij de lezer is afstomping en cynisme. Na de zoveelste bomaanval hoopte ik dat ooit ergens in dit verhaal een keurige meneer moeizaam overeind zou komen om met nette stem aan zijn buurman te vragen: 'Wilt u mij mijn been even aanreiken, het ligt naast uw arm.' 

De grootste zwakte, technisch gezien, ligt in de geringe greep die Jan Cremer uiteindelijk op zijn stof blijkt te hebben. Hij raakt geregeld de draad kwijt, elke aanleiding is genoeg om het verhaal geruime tijd te onderbreken, hij introduceert personages soms meermalen, herhaalt scènes, midden in de bevrijding zijn we weer in de oorlog en omgekeerd, er is geregeld geen touw aan vast te knopen. Aan het slot van het boek volgt dan nog een fraaie tirade tegen de Enschedese textielbaronnen, waar op dat moment geen enkele lezer behoefte aan kan hebben, het is 1200 pagina's te laat.

Een goede 'editor' had van De Hunnen een prachtig boek kunnen maken, van minder dan de helft van het huidige aantal pagina's. Als spin-off was er dan voor de liefhebbers nog een harde pornobundel overgebleven, plus een brochure voor de Vredesbeweging en wellicht nog een verlaat pamflet tegen de textiel-baronnen. 

Nu zit dat alles bij elkaar in één driedelige saga, en het een vertrapt het ander. Al deze kritiek neemt niet weg dat Jan Cremer met De Hunnen bewezen heeft dat hij een schrijver is die veel te zeggen heeft, en dat in elke stijl kan doen die past bij wat hij te zeggen heeft. In De Hunnen heeft hij teveel tegelijk willen doen, over-powering weetjewel. Inplaats van een grandioos boek is het een grandioze miskleun geworden, met schitterende fragmenten. Zoiets past bij Cremer en eerlijk is eerlijk, ik lees liever een uit de bocht vliegende Cremer dan een brave goeddoordachte novelle van één onzer vele literatici.













Terug