G.L. Durlachter - Strepen aan de hemel: oorlogsherinneringen (1985)

Recensie van Hans Vervoort in NRC-Handelsblad (24-05-1985)



De vliegtuigen vlogen over



Het op papier zetten van oorlogsherinneringen heeft kennelijk vier functies: het invullen van de details van een kolossale ramp, het liefdevol vereeuwigen van naasten die de oorlog niet overleefd hebben, getuigen wat macht en onmacht teweeg kunnen brengen in mensen. En tenslotte, maar eigenlijk het belangrijkst: het eindelijk verwerken van de ervaringen die men ruim 40 jaar geleden niet tot zichzelf kon toelaten.

Ik vind het heel moeilijk om iets te schrijven over zo'n oorlogsboek. Een literair criterium kan je er niet aan stellen. Het zou belachelijk zijn om te melden dat de karakters niet of juist wèl goed uit de verf komen, of dat de gebeurtenissen wel of niet geloofwaardig beschreven zijn, of dat het thema weinig origineel is, of wat de beperkingen van de schrijver als stilist zijn. De integriteit van de auteur is eigenlijk het enige wat bij deze boeken telt, en daar kan je bij een oorlogsboek nooit echt aan twijfelen, tenzij er aperte onjuistheden in voorkomen. In de praktijk blijkt toch een stijlcriterium te gelden : de onderkoeld geschreven verslagen wekken het meest waardering op. Dat is eigenlijk dwaas, want waarom zou men niet volop lucht mogen geven aan de haat, het verdriet, de vernederingen, het zelfverwijt?

Zonder het echt te kunnen verdedigen merk ik dat ook ik het meest geraakt word door bescheiden genoteerde herinneringen. In dat opzicht is G.L. Durlachers Strepen aan de hemel een hoogtepunt. Dit boekje is voortgekomen uit therapie en heeft alle kenmerken van een met grote moeite geschreven verslag, de emoties nog grotendeels in diepvries. Het bestaat uit 4 'verhalen' die eerder in De Gids gepubliceerd werden. Het titelverhaal is gebaseerd op Durlachers herinneringen aan 13 september 1944 toen de witte strepen van geallieerde vliegtuigen zichtbaar werden in de blauwe lucht boven Auschwitz-Birkenau en bij de gevangenen even de hoop rees dat een bevrijdende regen van bommen een eind zou maken aan de ellende. Maar helaas, het bleef bij een paar inslagen en na de oorlog bleek dat het ging om precisie­bombardementen op fabrieken in de omgeving. 

"De verdwaalde bommen op Birkenau waren slechts een technische schoonheidsfout; bij een poging om aan de Duitse luchtafweer te ontkomen, bevrijdde een geallieerde piloot zich van zijn bommenlast". 

Durlacher gaat na hoe het nu eigenlijk mogelijk was dat de Endlösung tot het eind van de oorlog kon doorgaan, zonder een poging van de geallieerden om er iets aan te doen. Naar aanleiding van studies van twee geschiedkundigen komt hij tot de conclusie dat men grote moeite had de informatie te geloven die over de Vernichtungslager uitlekte, maar óók dat er (zacht gezegd) weinig sympathie was voor het lot van de joden. "In my opinion a disproportional amount of time of the Office is wasted on dealing with these wailing Jews", noteerde een Engelse diplomaat eind 1944. 

Durlacher was 14 toen hij in 1942 met zijn ouders de tocht begon die via Westerbork en Theresienstadt zou leiden tot Auschwitz-Birkenau. In zijn boekje beschrijft hij de mislukte poging van zijn ouders en vrienden uit het emigranten-milieu om in 1930 naar Engeland te vluchten. Daarna volgt het verblijf in Apeldoorn waar hij zelfs nog een tijdlang school gaat: 'Even proef ik jeugd.' Dan wordt de familie opgepakt en komt via Westerbork in Theresienstadt terecht, het decor van een propagandafilm over het humane Duitse beleid. 

Veertig jaar later krijgt Durlacher een kopie van die film in handen ('vrouwen en mannen met grauwe gezichten waarop een bevolen glimlach plakt') en reconstrueert hij welke rol deze film in zijn leven speelde en hoe hij erdoor terecht kwam in Auschwitz-Birkenau, de echte hel. In staccato-tekst herbeleeft hij die tijd, de selectie, het afscheid van vader en moeder, de ontmenselijking: 

"Hij gooit een halfvergane augurk tussen ons. De meute valt er op aan. Een tweede, derde worp. Door afgunst en honger handgemeen. Wij dringen naar de ton. Dan grijpen ook de SS-ers in het vat en laten samen met hem onder brullend gelach de verrotte groente op onze hoofden en schouders neerkomen. Hun kermisvermaak eindigt als wij strompelend en kruipend naar de barakken vluchten, in paniek gebracht door schoten in de lucht. Op de appèlplaats blijven twee mannen liggen: eengeworden met het afval."

En dan volgt de bevrijding, die hij nèt haalt dankzij het wonder van de naamloze Hongaarse arts die hem opereert als hij met een zwerende voet ligt te wachten op het einde: "In niets onderscheidde hij zich van de andere gevangenen. Alleen zijn streeppak was wat schoner. Uit zijn zak haalt hij een pakje, legt twee scalpels neer, beduidt mij de voet op een kruk te zetten. Ondraaglijke pijn die plotseling vermindert als hij gesneden heeft. Ik stroom leeg als een gebarsten varkensblaas, verlies het bewustzijn. Als ik bijkom, zit hij naast me. Twee tabletten laat hij me innemen, geeft me water en drukt nog drie tabletten in mijn hand: "vergeet niet ze te slikken, het zijn mijn laatste Prontosiltabletten". 

De bevrijding, via Praag en Parijs terug naar Apeldoorn, biedt veel warmte van de burgerij, maar tegelijk ook het besef dat men weinig belangstelling heeft voor wat er in de concentratiekampen is gebeurd. Iedereen is te vol van zijn eigen belevenissen: "Ik was de bijna-vreemdeling die alles aan moest horen wat ieder ander uitentreure had gehoord en ik kocht met mijn gewillig oor en met mijn discrete zwijgzaamheid aanvaarding." 

Na 40 jaar lukte dat niet meer en moest ook Durlacher zijn verhaal kwijt met kennelijke inspanning en een verwoede poging om de emoties te beheersen en zijn herinneringen te plaatsen in de context van historisch onderzoek. Een gecondenseerd en indrukwekkend verslag.



















Terug