Johan Fabricius - Het gordijn met de ibissen (1974)

Recensie van Hans Vervoort in Vrij Nederland, 23-11-1974



Vanonder de koperen ploert





Het zal ooit wel eens ophouden, mag je aannemen, maar liefhebbers van Nederlands-Indische belleterie kunnen nog steeds af en toe een nieuwe titel verwelkomen. Het is een tijdje wat langzamer gegaan en met Langs het Schrikdraad van A. L. Schneider (ergens in de jaren zestig uitgegeven) leek het wel bekeken. Maar de laatste tijd gaat het weer beter. Beb Vuyk maakte een kookboek (waarvan de uitgever alsnog door de rechter verplicht zou moeten worden een index na te leveren), Paul van 't Veer schreef de spannende sleutelroman Je moet er geweest zijn, Peter Andriesse de voortreffelijke verhalenbundel De roep van de Tokèh. Er kwam een verbazingwekkend debuut van A. G. Deelman, oud-resident van Borneo (Ali bin Joesoep) en onlangs nog schreef Marga Minco*) haar herinneringen aan het Jappenkamp op. En dan vergeet ik er vast nog wel een paar.



Om niet achter te blijven heeft Johan Fabricius (75 jaar inmiddels) in de afgelopen tijd twee boekjes geschreven die zich in Indonesië resp. Nederlands-Indië afspelen. Het eerste was Sentimental Journey (uitgeverij Leopold), een reisverslag van een in 1970 gemaakte toeristentoer. Het beleefde onlangs zijn tweede, iets uitgebreide druk, en laat zich lezen als een folder:



'Rijsttafel in de trein, in zo'n rijdend schommelend voertuig een indrukwekkende culinaire prestatie. De machinist biedt ons via de stewardess een gastenboek aan waarin wij onze geëerde namen mogen neerschrijven, de lof van zijn trein mogen zingen. Volgaarne, heer machinist.'



Veel aardiger lijkt mij zijn nu verschenen 'roman uit het oude Indië' met de titel Het gordijn met de Ibissen. Het gaat over de jonge forsgebouwde jurist Louwtje de Visser (zijn afstuderen betekende voor Njord een onherstelbaar verlies) die zich op het advocatenkantoor van zijn oom vergrijpt aan geld en aan een vrouwtje in scheidingsperikelen. Dus moet hij naar Indië, waar hij opgepikt wordt door het mooie, uit Singapore afkomstige en dus Engelstalige hoertje Li Wong. Zij voert hem naar een stadje in de Javaanse Vorstenlanden, waar hij -- ijverig ineens -- zich opwerkt tot een nuttig lid van de samenleving en tenslotte zelfs de praktijk mag overnemen van de plaatselijke advocaat.

Dat verloopt allemaal niet zo soepel, want Wong is even ambitieus als koppig, en de trouwhartige Louw kan lang niet altijd begrijpen wat ze nou eigenlijk wil: trouwen, niet trouwen, eigen huis, geen huis. Ook de plaatselijke gemeenschap heeft moeite met het accepteren van een Chinese concubine. Het boek eindigt vrij plotseling met een noodlottig ongeval, ik waarschuw maar vast, want zelf hou ik ook meer van een roman waarin ze elkaar aan het eind krijgen.

Het plot is op zichzelf vrij simpel maar het bood Fabricius allerlei mogelijkheden om er de thema's in uit te werken die we allemaal kennen van de Grote Stille Kracht, met dit verschil dat Fabricius goddank nu leesbaarder schrijft dan Couperus toen, en de stille kracht heeft weggelaten. Maar voor de rest komen alle typen voor die in deze lectuur thuishoren:



-- de rondborstige, luidruchtige en veelzuipende planters

-- de verstilde, wat oudere Hollander die zich in de cultuur van het land verdiept heeft en in verfijnder volzinnen spreekt dan we gewend zijn

-- de Indische landadel, familieziek , wreed, lichtgeraakt

-- de Javaanse adel: bikkelharde gevechten om de praalmacht, achter een masker van onbewogenheid.

Fabricius biedt méér: een gestrande Duitse officier met één wassen oor, een modern-geschoolde Javaanse edelman met auto, een Indische arts op zoek naar de identiteit van halfbloeden, een goklustige 1e bediende op het advocatenkantoor, een geile Japanse fotograaf met dikke brilleglazen, en oma Sallie, de vettige Indische weduwe met haar pension.



Ik lust er wel pap van, maar ik ben dan ook een uitgesproken liefhebber van romans met een begin en een eind en veel mensen en gebeurtenissen daartussen. En als het dan nog op ons oude Indië betrekking heeft, dan ben ik verkocht. Dat neemt niet weg dat ik wel kan zien dat Fabricius wat slordig met woorden is, soms wat oudbakken schrijft en dus nooit de PC-Hooftprijs voor heren zal krijgen. Maar als vakman-verteller (volgend jaar zijn gouden jubileum: in l925 verscheen De scheepsjongens van Bontekoe) heeft hij zich opnieuw bewezen.



*) Marga Minco moet zijn: Mischa de Vreede (met dank aan C. de Oude).

Terug