Maarten 't Hart - De ortolaan (1984)

Recensie van Hans Vervoort in NRC-Handelsblad, 23-03-1984



De schrijver en zijn publieke ik



De ortolaan is een in pasteltinten uitgevoerd trekvogeltje, dat als een (steeds zeldzamer wordende) delicatesse geldt in zuidelijker landen. De 19de-eeuwse ornitholoog Schlegel rapporteerde: 'Op plaatsen waar ze tijdens de trek talrijk waren werden ze met slagnetten gevangen. In een kooi werden ze dan 's nachts bij kaarslicht in enkele dagen vetgemest met gierst, vervolgens met een steek van een stopnaald in het achterhoofd gedood, geplukt doch niet ontweid, en met rode zijden strikjes om de hals in spanen doosjes verzonden'.

Vooral het ortolanen-tongetje gold als het summum van gastronomisch genoegen. De mens verzint toch wat af. Vetmesten bij kaarslicht, stopnaald in het achterhoofd, rood strikje. Gelukkig heeft niets van dit alles te maken met de novelle De Ortolaan die Maarten 't Hart schreef als Boekenweekgeschenk voor dit jaar.

Het vogeltje markeert in dit verhaal alleen het begin en het eind van een romance die nooit echt op gang kwam.

Het thema van de hopeloze verliefdheid , de 'crush', de kalverliefde komt bij 't Hart vaker voor - de rol van minstreel is hem dierbaar.

In dit verhaal is de hoofdpersoon opnieuw de bioloog Maarten, werkzaam op een universitair laboratorium. Als zijn professor ruimte zoekt voor een Belgische studente die een cursus komt volgen, biedt hij na overleg met zijn vrouw onderdak aan.

De professor had een aantrekkelijke verschijning voorspeld, maar dat viel Maarten tegen: "Ze had een smal gezicht met hoogrode wangen en een veel te grote neus. Lang vlasachtig haar accentueerde de wanverhouding tussen neus en voorhoofd".

Hij weet slecht raad met zijn gaste, die het Nederlands matig beheerst, niets van muziek weet en niet gekweld wordt door de existentiële problemen van Maartens favoriete filosoof K.: "Indien er niet een eeuwig bewustzijn in de mens was, indien er ten grondslag aan dit alles slechts een wild gistende macht lag die, terwijl ze zich in duistere hartstochten wentelde, alles voortbracht, zowel het grote als het onbeduidende (...) wat zou het leven anders dan vertwijfeling zijn?" Alma heeft daar geen boodschap aan: "Nee, ze leek slechts gekweld door een heel ander probleem: Hoe houd ik zeer jonge stekelbaarzen uit elkaar?" Maarten bedenkt daarop een proefdier-identificatie - grapje dat haar doet lachen. Hij is dan al ongemerkt verliefd geraakt op dit meisje dat zichzelf genoeg is en zonder aarzeling of twijfel een vooraf gebaand pad volgt: Ze is verloofd en zal dus trouwen en kinderen krijgen, ze studeert en zal dus afstuderen en een tijdlang wetenschappelijk werk doen totdat het gezin dat onmogelijk maakt.

Ze heeft weinig te vragen en weinig te zeggen, ze is in haar beperktheid volmaakt. Als Maarten en Alma op zoek gaan naar een ortolaan die hij jaren eerder op een kerkhof gehoord heeft, voelt hij voor het eerst de vrede die haar aanwezigheid geeft, alsof ineens alles op z'n plaats valt. Maar de ortolaan is er niet.



Chevalier 

Alma vertrekt na de cursusmaand, en in de daarop volgende jaren komt Maarten haar af en toe tegen op biologen-congressen en begeleidt haar dan als trouwe chevalier. Zij is altoos zichzelf, maar hij komt bij elke ontmoeting in een hogere versnelling en bedenkt tijdens een lezing over de doorkruipritmiek van de stekelbaars: "Terwijl ik geduldig stap voor stap uitlegde dat de ritmiek van doorkruipen door niets in de buitenwereld beïnvloed kan worden, behalve door de aan- of afwezighied van een stekelbaarswijfje , verbaasde ik mij erover dat ik dat hele verhaal even goed over mijzelf had kunnen houden".

In volslagen passiviteit ondergaat hij zijn lot, huppelend van blijdschap als hij Alma weer eens ontmoet, diep bedroefd als ze uit elkaar gaan: er was niet eens tijd voor een handdruk. Ooit redt hij haar van een rotspunt en de daarbij nodige 'functionele omhelzing' is hun intiemste contact. De schrik daarover betekent een tijdelijke verwijdering , maar jaren later, als Alma grijs en bleek geworden is (door een rekenfoutje van de schrijver ineens ouder dan hijzelf) is de eenzijdige liefde nog even vers. Het standaardgrapje over het merken van proefdieren maakt haar nog steeds aan het lachen en Maarten bedenkt: 'De man zit echt veel simpeler in elkaar dan de vrouw denkt. Een man houdt alleen maar zielsveel van een vrouw als ze vaak om hem lacht'. 

Onopgelost blijft de vraag wanneer een vrouw zielsveel van een man houdt. Alma is al die jaren duidelijk blij met zijn gezelschap geweest, maar misschien alleen omdat haar echtgenoot Maarten had herkend en aangewezen als de ideale gevaarloze chaperon. 

Maarten komt zelf niet verder dan het citeren van de filosoof en socioloog Adorno over het fenomeen van het bezet zijn: "Een geliefd mens weigert toenadering, niet vanwege innerlijke remmingen, maar omdat er al een relatie bestaat die een nieuwe uitsluit". En concludeert tenslotte dat hij misschien juist vanwege die onbereikbaarheid zo mateloos verliefd op haar geworden was, haar innerlijke vrede en oppervlakkigheid zou hem anders misschien snel verveeld hebben. Het laatste congres waarop ze elkaar ontmoeten vindt plaats in een glazen bouwsel waar geregeld trekvogels tegenaan vliegen. Een ortolaan behoort tot de slachtoffers (geen hoogvlieger kennelijk) en Maarten biedt het lijkje aan zijn geliefde aan. Over de eettafel, zo gaat dat onder biologen.



De Ortolaan is een meeslepende novelle, lyrisch geschreven en met mooie doorkijkjes in het biologenmilieu. 't Hart heeft nooit bekend gestaan als een soepel stilist, maar in dit verhaal staan alle zinnen in de goede richting. Het wetenschapsmilieu bood hem ook de mogelijkheid om wat eigen ideeën en gramschap kwijt te raken en het innerlijk verzet te verwoorden tegen theorieën waarbij planten, dieren, mensen, gereduceerd worden tot voertuig van genen (de wild gistende macht?) die zichzelf willen reproduceren.

De Ortolaan heeft een filmische overtuigingskracht maar net zoals bij films bekruipt je bij het herkauwen het gevoel dat het niet allemaal klopt. Er is (achteraf!) iets mis met de geloofwaardighied van een hevige verliefdheid die zo lang duurt en toch passief blijft. Als de pijn zo groot is en het afscheid zo moeilijk, dan moeten de jaren tussen die congressen een hel geweest zijn van onvervuld verlangen. In de novelle wordt daaroverheen geschreven, de jaren tussen de ontmoetingen vallen weg, hebben niet bestaan.

Een soortgelijke bedenking-achteraf betreft het ontbreken van een keuze­probleem voor Maarten. Alma was bezet en kon daarom volgens de theorie van Adorna niet reageren op Maartens verliefdheid . Maar Maarten meldt zichzelf getrouwd in het begin van het verhaal, hij is dus óók bezet, maar heeft daar kennelijk geen last van. Het komt zelfs als probleem niet naar voren, zijn vrouw speelt geen rol. Zoiets kan natuurlijk als het gaat om een oppervlakkige verliefdheid of een eigenlijk al voorbij huwelijk, maar noch het een noch het ander is in dit verhaal het geval. Het volstrekt negeren van zo'n probleem geeft De Ortolaan iets sprookjesachtigs, het klopt zolang je er niet over gaat nadenken.



Televisie 

De Ortolaan is in de ik-vorm geschreven en dat gaat bij een schrijver als Maarten 't Hart langzamerhand vreemde effecten opleveren. Literatuur is de enige kunstvorm waarin een 'ik' kan voorkomen en als het gaat om een verhaal is er een stilzwijgende afspraak tussen lezers en schrijvers dat het een puur technische keus betreft. De lezer mag de schrijver niet met de 'ik' vereenzelvigen ook al zijn er autobiografische gelijkenissen.

Tot pakweg 20 jaar geleden was dat een grotendeels theoretisch probleem, want schrijvers bestonden uit een foto op de achterflap en een enkel kranten-interview, er viel niets te vereenzelvigen. Tegenwoordig zijn veel schrijvers publieke figuren wier uiterlijk en reacties je kent via de massa­media. Wie dan nog kiest voor de ik-vorm moet zéér duidelijk maken dat de verhaal-ik een heel ander persoon is dan de schrijver, anders wandelt het publieke imago zó het verhaal binnen.

In De Ortolaan heet de hoofdpersoon Maarten, een bioloog die is getrouwd met Hanneke. Vol-automatisch vul je dan als lezer de ik-figuur in, het wat blote en gretige hoofd van de schrijver, zijn wijsneuzigheden en hoge hese stem. Brave sul, denk je. En af en toe heb je de neiging om de schrijver toe te roepen: "Maarten, hoeoi, zet 'm op. Denk eraan, Vuige Lust mag óók!" Dat geeft natuurlijk in het geheel geen pas, want een lezer hoort zich niet te bemoeien met het verhaal, maar het is bijna niet te vermijden als je de hoofdpersoon geregeld in vlees en bloed op de televisie ziet. Zo'n verliefdheid die misloopt en ook nog niet gekozen bij de 15 beste schrijvers van na de oorlog, het is wat. 

Het hinderlijke van dit fenomeen is dat het bijna onmogelijk wordt om een boek als De Ortolaan op zichzelf te beoordelen. Ik kan niet zien of de ik-persoon goed uit de verf komt, want dat personage voer ik zelf in, ik wéét immers hoe die Maarten eruit ziet en zich gedraagt. Als in de novelle een wat al te gedetailleerde reisbeschrijving voorkomt, of de ik-persoon psalmen citeert of de filosoof Kierkegaard met 'K' aanduidt, of 's ochtends vroeg bedenkt dat het tijd is om "net als George uit dat boek van Hogg, Arthur's Seat te beklimmen" dan herken ik dat als één van de eigenaardigheden van Maarten 't Hart.

Die details maken voor mij de novelle levensechter, maar zijn ze het ook voor iemand die nog nooit van 't Hart gehoord heeft? Zo iemand staat misschien voor vele raadsels. Het zou goed zijn als er een nieuwe mores ontstond waarbij schrijvers die vaak zichtbaar zijn via andere media ofwel de ik-vorm mijden, ofwel duidelijk maken dat de verhaal-ik een heel ander mens is dan zijzelf, ofwel hun publieke imago expliciet in een verhaal gebruiken. Schrijven is het beheersen van effecten en schrijvers die publieke personages worden moeten zich realiseren dat zij een flink deel van die controle kwijt raken. In het kader van de Boekenweek is dat het overdenken waard.







Terug