Marijke Höweler - Had maar een kat gekocht (1986)

(Recensie van Hans Vervoort in NRC/Handelsblad, 28-11-1986)

In deze recensie een bespreking van:



  • Marijke Höweler - Had maar een kat gekocht (1986)
  • Marjan Berk - De zelfvergrootster (1986)
  • Sonja Witstein - Bekentenis aan Julien Delande (1986)




 

 

In de houdgreep van het noodlot



Marijke Höwelers romans lezen lekker weg en ze heeft altijd wel nieuwe perikelen in petto voor haar personeel. Want anders kan je de personages in haar boeken eigenlijk niet noemen. Alhoewel, poppen zou ook kunnen. Als er een schrijver is die misschien beter marionetten-speler had kunnen worden dan is het Marijke Höweler. Hoe knap verteld ook, je ziet de dunne draadjes waarmee zij haar verhaalfiguren in beweging brengt, ter adstructie van weer eens een verhaal over hoe moderne mensen het zichzelf en elkaar moeilijk maken. In Had maar een kat gekocht speelt het eerste bedrijf in de wat armoedige omgeving waar Lilian en Joey hun moderne relatie aftasten. Als beeldend kunstenaar mag Joey zijn libido graag breed uitdragen. Dat geeft hem nieuwe inspiratie voor zijn schilderijen van muizen, die overigens niemand koopt maar dat hoort bij zijn type kunstenaarschap. Lilian verdraagt zijn vriendinnen-lust met moeite en zoekt een doel in het leven. Het krijgen en opvoeden van een kind spreekt haar in dat opzicht wel aan. Als donor kiest ze Winnifred, een zachtaardige componist die de woning met hen deelt. Er komt een tweeling van, Emily en Victor. Joey weet niet beter dan dat ze van hem zijn, en doet via een carrière als diskjockey z'n best om geld in het laatje te brengen voor het vijftal want Winnifred is uit pure besluiteloosheid blijven hangen. Lilian voedt de tweeling op tot vrije en onafhankelijke kinderen en als blijkt dat ze het muzikaal talent van hun natuurlijke vader geërfd hebben, beleven ze een kortstondige maar lucratieve carrière als wonderkinderen aan de piano. Winnifred offert zijn identiteit als componist op om stukjes voor hen te schrijven en in de rijkdom die het succes geeft, gaat het leven van de drie volwassenen steeds meer draaien om de tweeling. Hoe rianter de woning wordt (we zijn nu in het derde bedrijf beland) hoe meer de twee mannen moreel verkommeren. Winnifred omdat hij zijn kans op succes opgeofferd heeft aan de kinderen, Joey omdat hij niet de vader blijkt te zijn, maar financieel en emotioneel toch vast zit aan Lilian en haar kroost. Het vrouwtjesdier wint maar verliest geleidelijk aan toch ook de greep op de situatie, want de tweeling neemt steeds meer het heft in handen. Opgevoed tot egocentristen moeten ze zich elke op anderen gerichte emotie via studie eigen maken. Ze hebben behoefte aan liefde, maar kunnen het begrip niet goed definiëren en het eeuwige geruzie van de drie volwassenen is moeilijk te zien als voorbeeld van wat liefde zou kunnen zijn. Daar vergissen ze zich in, maar geen van de volwassenen kan dat afdoende uitleggen. Victor is de piekeraar van de tweeling en de doodsdrang neemt steeds meer bezit van hem. Emily is de kordate variant. Ze leert al snel dat geld macht is en huurt een oppas-duo dat hen moet inwijden in de liefde: Mary is er voor Victor en haar vriend Richard voor Emily. Dat loopt slecht af, en al met al is het een nogal treurig verhaal, als je er na lezing nog eens over nadenkt. Had maar een kat gekocht wordt op de achterflap aangekondigd als satire en is in dat opzicht ongetwijfeld geslaagd, mede door de scherpzinnige kanttekeningen en definities die Marijke Höweler in haar tekst verwerkt. Maar ik denk dat het verhaal heel wat meer indruk zou achterlaten als de schrijver enige lotsverbondenheid met haar personages zou kunnen tonen.


Gespartel

Marjan Berk heeft met Marijke Höweler gemeen dat ze merkbaar plezier beleeft aan het opschrijven van haar verhalen en de handelingen van haar personages graag terugbrengt tot loos gespartel in de houdgreep van het noodlot. Maar ze neemt minder afstand en daardoor gaan haar verhaal-figuren toch wat meer voor je leven. In De zelfvergrootster is de hoofdpersoon Mewalda van Dieren, een kloek uitgevallen sopraan van het Operakoor met maar een probleem: ze kan haar prachtige geluid niet zuiver richten en alhoewel ze daar zelf niet zwaar aan tilt is het voor een muzikale carrière toch een ernstige handicap. Als Mewalda uit het operakoor ontslagen wordt en tegelijk haar leerling en minnaar, de al even royaal gebouwde taxi-chauffeur Eddie, een ster wordt in het reli-pop-gebeuren met de hit 'Jezus leeft', verliest zij haar laatste houvast: "Wat is het toch een trut", dacht Eddie de Meeuw, terwijl hij toekeek hoe Mewalda met haar panty worstelde. En dat vals zingen, onverdraaglijk! Hij moest van haar af, dat stond als een paal boven water." Als hij Mewalda's sponde definitief verlaat, met vooral spijt over het missen van haar kookkunst, staat ze alleen in een onverschillige wereld. Onverdroten optimisme leidt haar leven in nieuwe banen: ze start een koor, krijgt een leraarsbaantje bij een muziekschool en huurt een schitterende etage bij de weduwe Elodie Tromp. Zonder dat ze dat in de gaten heeft komt ze daarbij terecht in een thee-kransje van bejaarde weduwen van ex-NSB-ers en erger, die samen met een AOW-gerechtigde ex-SS-er bezig zijn een nieuwe fascistische partij op te richten. Mewalda's passie voor Wagner valt goed bij de kennissenkring van haar hospita. Dankzij de weduwen wordt Mewalda's vers opgerichte amateur-koor uitgenodigd om te zingen op wat een fascistische bijeenkomst blijkt te zijn. De a-politieke Mewalda voelt zich grotelijks belazerd en als ze dat in de microfoon roept neemt het leven een thriller-achtige wending die ik hier niet zal verklappen. Je kunt je afvragen of het kies is om het NSB-weduwendom te gebruiken als aanjager voor een leuke en spannende roman, maar Marjan Berk kan het ook niet helpen dat de pensioenen van die weduwen juist nu veel emoties oproepen. De zelfvergrootster deed mij nogal denken aan de thrillers van Rinus Ferdinandusse: dezelfde neiging om een onbeschaamd 'gezochte' entourage en een onwaarschijnlijk plot waar te maken, hetzelfde genoegen in erotisch avontuur. Wat dat laatste betreft levert Marjan Berk een paar mooie hoogstandjes. Naast de verlekkerde beschrijvingen van behoorlijk aandikkende snacks, is ook de seks een bijna culinair genoegen.




De Wevers

Sonja Witstein (1920) was na haar gymnasium-opleiding in Amersfoort enthousiast lid van de kunstzinnige kring 'De Wevers', waar zij haar literaire belangstelling ontwikkelde. Als halfjoodse moest zij in 1943 onderduiken, werd door verraad in 1944 met haar ouders op transport gesteld en overleefde Auschwitz als enige van dit gezin. In haar onderduik-periode schreef zij Bekentenis aan Julien Delande, sterk onder invloed van André Gide's Limmoralist. In 1946 werd het gepubliceerd en trok weinig aandacht, al schreef W. F. Hermans er in Criterium lovend over en had Anna Blaman (met wie Sonja Witstein in de jaren vijftig een warme relatie onderhield) plannen om er iets over te schrijven.

Na de oorlog publiceerde Witstein nog maar enkele verhalen. Zij kon haar kamp-ervaringen niet literair verwerken, begroef zich in de studie van de zestiende en zeventiende-eeuwse letterkunde en toen zij in 1978 aan leverkanker stierf werd zij vooral herdacht als hoogleraar in de Neerlandistiek te Leiden. Acht jaar na haar dood is haar enige langere literaire werk heruitgegeven, voorzien van uitleg en een korte biografie door herontdekker Aad Meinderts.

Bekentenis heeft de vorm van een lange brief van Francine Latree aan haar verloofde Julien Delande. Ze schrijft vanuit een psychiatrische observatie­inrichting, waarin ze is opgenomen na de moord op haar stiefvader. Julien doet pogingen om haar vrij te krijgen en de psychiatrische rapporten zijn in haar voordeel, maar Francine wil hem in alle eerlijkheid uitleggen dat het wel degelijk moord met voorbedachten rade was.

Haar relaas is in enkele regels samen te vatten. Het gevoelige en studieuze meisje Francine wordt door haar stiefvader opgevoed in het kritisch bestuderen van de waarden van het leven. Een voorwaarde daartoe is dat men alle pijn kan verdragen en onder alle omstandigheden lichaam en geest onder controle kan houden. Dat leidt tot een regime dat op buitenstaanders de indruk kan maken van een sadomasochistische relatie. De door haar stiefvader overgedragen filosofie komt erop neer dat elk individu z'n eigen moraal moet vinden en zich zo min mogelijk moet laten beïnvloeden door anderen.

"Op een avond, toen hij mij zijn hand tot de afscheidkus reeds had gereikt, zei hij opeens, mij met een enkel ogengebaar tegenhoudend: 'De vrijheid van denken en handelen die de mens meent te bezitten is een nog grotere waan dan de overtuiging van zijn eigen bestaanbaarheid. Beide berusten op zelfbedrog. Het ene individu schept zich vrijwillig of onvrijwillig - dat is van geen belang - om tot de gelijke van het andere, wat de mythe van z'n zijn bevestigt. Hiermee ontkent hij de singulariteit van zijn wezen, hecht zich vast aan de moraal van zijn uitvinder en brengt zodoende de moraalsoverdracht tot stand, die elk denken tenslotte zover van zijn oorsprong afsnijdt, dat het een van zijn oorsprong afsnijdt, dat het een antimoraal is geworden. Iedere moraal, door meel dan een beleden is een antimoraal (...)'".

Zo converseren mensen al lang niet meer met elkaar en na L'etranger van Camus is het issue van de (im)moraliteit verhuisd naar de spionage-romans van schrijvers als John le Carré. Maar Francine begreep het nog best en als zij merkt dat ze een kloon van de door haar zo bewonderde stiefvader dreigt te worden, staat er nog maar een weg open: vernietig het voorbeeld om vrij te worden voor het vinden van de eigen moraal. Dus schaft ze zich een revolver aan, benadert daarmee haar opvoeder (die het verwacht en stoïcijns reageert) en schiet hem dood. De buitenwereld ziet het als een vergeeflijke daad van wraak op een sadistische stiefvader, in de Bekentenis legt Francine haar verloofde uit wat er echt aan de hand was.

Sonja Witstein schreef dit voor die tijd nogal gedurfde verhaal in een aanval van creativiteit - ruim 60 pagina's geconcentreerd proza, vol denkwerk en met maar weinig relatie tot de werkelijkheid. Soms werkt het onbedoeld komisch, zoals in de scene waarin Francine met veel drama geschrapt wordt als lid van de VVS (Vereniging van Vrouwelijke Studenten), omdat zij per ongeluk (?) een bevriende studente verwond heeft tijdens een uitje naar het strand. Die uitstoting uit de VVS wordt met grote ernst beschreven, het is ongeveer het ergste wat een mens kan overkomen en stelt hoge eisen aan de aangeleerde koelbloedigheid. Als je dat leest valt het erg op dat Sonja Witstein een nog onervaren mens en onbedreven schrijfster was. Als gevolg van de oorlog heeft zij haar talent niet verder ontwikkeld. Het uit de vergetelheid halen van dit debuut is ongetwijfeld goed bedoeld, maar lijkt mij toch een slechte dienst aan een in de knop gebroken schrijfster.









Terug