Renate Rubinstein - Nee heb je: notities over ziek zijn (1985)

Recensie van Hans Vervoort in NRC-Handelsblad, 25-10-1985





Moed verzamelen





Dat alle mensen doodgaan is geen zekerheid (de verzekeringswiskunde neemt nog steeds aan dat iedereen ouder kan worden dan hij al is) maar men moet toch serieus rekening houden met het einde. Ooit was ik in de gelegenheid om in een enquête de vraag te stellen hoe men het liefst zou overlijden. De meeste ondervraagden bleken een voorkeur te hebben voor een abrupt slot: auto-crash, hartexplosie, hersenbloeding. Dit alles bij voorkeur in de slaap. Kennelijk weet men zo weinig raad met de dood dat men er graag onvoorbereid door wordt overvallen en er liefst helemaal niet bij wil zijn. Die houding heeft mij altijd verbaasd, want je laat dan toch wel de boel de boel, behoorlijk afscheid nemen is er niet bij en je hebt niet even tijd om na te denken over wat je gaat missen, of wat je in de gauwigheid nog zou kunnen doen.

Renate Rubinstein heeft een ziekte, Multiple Sclerose, die daar alle gelegenheid toe biedt en als rechtgeaard schrijver (in haar eigen definitie "Iemand die zijn leven beschouwt als zijn onderwerp") maakt ze daarvan voortreffelijk gebruik in de bundel Nee heb je -- notities over ziek zijn. De meeste columnisten hebben een persoonlijke toon, maar zelden wordt geschreven over persoonlijke zaken. Renate Rubinstein gaf als Tamar in Vrij Nederland de lezer altijd het gevoel dat die column haar levenskroniek was, en dat alles wat haar bezig hield er vroeg of laat en direkt of indirekt wel in ter sprake zou komen. Een overtrokken beeld ongetwijfeld en sterk gevoed door periodes waarin Renate Met Roken Ophield of In Echtscheiding Lag. De vele en soms heel langdurige polemische episodes vallen uit het geheugen weg, alhoewel zij een bekwaam en meedogenloos polemist is die keihard resultaat-voetbal speelt en alleen een gram ongelijk zal toegeven als er een pond gelijk binnen te halen valt. Haar grootste prestatie was in dat opzicht de Weinreb-discussie, waarbij Rubinstein tenslotte alle argumenten aan haar kant had, alleen niet de historische feiten.

Het unieke van haar manier van schrijven komt in die nietes-welles-polemieken toch niet echt goed tot uitdrukking. Zij is op haar best in lotgenoot-verhalen: kijk eens wat mij nu weer overkwam en wat moet een mens er godsvredesnaam mee aan. Vrienden en kennissen geraadpleegd, boeken erbij gehaald, theorietje opgezet, deugt niet, ander theorietje opgevangen (F. kwam even langs om een kraanleertje te vervangen en zei) enz. In dat proces wordt de kwestie van alle kanten tegen het licht gehouden, even weggezet voor het slapen gaan, nog even voor de dag gehaald, hoofdschuddend weer opgeborgen. Intussen zijn er heel wat intelligente ideeën gepasseerd die als ze van anderen afkomstig zijn ook altijd keurig van een bewonderende initiaal-verwijzing naar de betreffende vriend of kennis of geleerde worden voorzien.

Op haar allerbest is Renate Rubinstein als ze echt in de problemen zit en daarover wil schrijven zoals in de echtscheidings -columns die aangevuld met nieuwe teksten gebundeld werden in Niets te verliezen en toch bang. Zij kan over zo'n onderwerp schrijven op een manier die heel persoonlijk is maar tegelijk het probleem generaliseert. Het gaat niet om de specifieke details van wat haar overkwam (die details worden alleen gegeven als het nodig is om een redenering, gevoel, reactie, te verduidelijken). Het gaat om wat iedereen kan overkomen wat dat eigenlijk inhoudt en hoe je ermee omgaat. De schrijver als lotgenoot. In Niets te verliezen en toch bang staat de eerste verwijzing naar de ziekte die haar toen besloop: "In die jaren begon ik ook te vallen. Zomaar. Van de fiets van de trap, van staan praten zelfs. (...) Ik weet de reden nu. Het is een zinloos feit een stoorzender in dit psychische heelal vol betekenis en symbolen, en hoort als zodanig niet thuis in dit verhaal." In haar Tamar-column schreef ze er nooit over, omdat het te moeilijk was, omdat ze er nog niet voor klaar was, omdat elk uitstel het moeilijker maakte erover te beginnen. Nu is het er eindelijk van gekomen, in boekvorm weliswaar, maar toch als een bundel samenhangende columns.



Dapper 

Multiple sclerose is een ziekte waarvan men de oorzaak nog niet kent (vermoedelijk een virus) en die via een aandoening van het ruggemerg leidt tot een versnelde aftakeling van enkele lichaamsfuncties, met verlamming , blindheid en vroege dood als mogelijke toekomst. Daarover schreef Renate Rubinstein een boek dat je 'dapper' zou kunnen noemen, ware het niet dat het schrijversmechanisme er vanzelf voor zorgt dat je in zo'n verhaal kiest voor een minimum aan zelfbeklag. Zij volstaat dan ook met een paar korte passages over haar eerste paniek en verdriet. Het is vooral een boek over fluiten in het donker, het verzamelen van moed om verder te gaan, plaatsbepaling als invalide die steeds invalider wordt (gewone mensen zijn miserable, de invalide is horrible). En nee, het is geen vrouwenziekte, ook geen lichamelijk gevolg van je psychische structuur en heeft ook niets te maken met jeugd-trauma's. En je gaat er niet anders van denken en schrijven. 

Over die onderwerpen schrijft Rubinstein strijdlustig en humoristisch, het laatste vooral in de stukjes over de alternatieve geneeskunst die twee voordelen biedt: het volgen van die vreemde kuren geeft hoop (je doet tenminste wat) en het is zo heerlijk om ermee te stoppen. 

Maar ze mijdt de zwarte kanten niet. Nee heb je gaat ook over het verdringen van de ziekte, hoe je eraan kapot kan gaan als je je er juist teveel op concentreert, hoe je leert vooral te genieten van wat je nog wèl kan, en hoe je zelfs een nadeel nog in een voordeel kan omzetten: "Eén geluk had ik -- toen ik de diagnose MS kreeg was ik al ongelukkig". Het verdriet over de echtscheiding overschaduwde de MS-ramp en later bepeinst Rubinstein dat je als invalide vrouw-alleen niet meer hoeft te piekeren wat je partner ervan vindt en of hij niet elders zijn bevrediging zoekt. "Dit is: zelfmedelijden uitdrijven met zelfmedelijden. Een paardemiddel". 

Hier en daar waagt zij zich er aan vooruit te lopen op wat mogelijk gaat komen, en raakt aan de vraag wanneer euthanasie geboden zou zijn. "Als ik mezelf niet meer om kan draaien in bed" staat ergens, en aan het slot van het boek wordt het herhaald in een verhaal over een medicus die aan een soortgelijke ziekte leed en datzelfde criterium stelde. "Hij takelde af zoals te voorzien was. Elke week kwam het groepje collega's om zijn bed staan: zullen we? Hij was allang niet meer in staat om zich in bed om te draaien, hij kon ook niet meer praten, maar hij kon zijn ogen nog bewegen en zijn hoofd. En daarmee schudde hij dan: nee. Verbijsterd gingen zijn collega's weer weg. Misschien, denk ik, is alles wel beter dan niets. Misschien komt er een moment dat alleen ademhalen al genoeg genot is om nog even te willen leven, leven". 

Leven is denken, en uiteindelijk concludeert Rubinstein dat ze wel zal zien wat ervan komt en dat doorleven zin heeft zolang zij er zin in heeft. Haar stukje over de door een hersenbloeding gehandicapte J.H. Donner geeft aan dat zij daarin heel ver zal gaan zolang er nog communicatie van gedachten mogelijk is. 

Nee heb je gaat over een bloedserieus onderwerp, maar er valt in de behandeling die Renate Rubinstein het geeft ook veel te lachen. In één hoofdstuk werkt ze dat te weinig uit, als ze haar pogingen beschrijft om een 'prothese' te veroveren waarmee miljoenen gezonde Nederlanders hun benen vervangen: "Ik heb wel dertig lessen genomen van zes of zeven verschillende rijscholen, maar autorijden leerde ik niet. De afschuwelijke Daffen en Opels, de betuttelende, vaak patjepeejerige leraren, mijn eigen traagheid (ik reageerde niet bliksemsnel op 'links' of 'rechts', maar aarzelde steeds even, dat is de leeftijd mevrouw) -- ik vorderde nooit snel genoeg om het rijexamen zelfs maar te proberen". Hier wordt in een paar zinnen een schat aan materiaal weggeworpen. Zes of zeven rijscholen in dertig lessen, dat duidt op een spoor van vernieling in Vamor-kringen, en een reeks van ontredderde instructeurs die voor het eerst van hun leven moesten rechtvaardigen waarom nu juist rechts altijd voorrang heeft en wat er zo heilig is aan een rood stoplicht.

Wat had ik graag op de achterbank gezeten tijdens die discussies, en ik hoop dat ze nog eens onderwerp zullen worden van de Tamar-column. Uiteindelijk belandde Renate Rubinstein in een 20-km-wagentje dat geen rijbewijs vergde en toch alle bewegingsvrijheid verschafte. In de binnenstad van Amsterdam zag ik een paar jaar geleden zo'n wagentje over de gracht scheuren en een bocht nemen alsof er geoefend werd voor het circuit van Zandvoort. Achter het stuur herkende ik de bekende VN-columniste, in Opperste concentratie. In Nee heb je wordt dat fenomeen eindelijk verklaard: "je kon de motor opvoeren tot 45 km, althans mijn neefje M. kon dat". Als het aan Renate Rubinstein ligt zal ze nog heel lang ja afdwingen. Gelukkig maar voor de liefhebbers van goed proza.







Terug