Rudolf Geel - Het moet allemaal nog even wennen (1983)

Recensie van Hans Vervoort in NRC Handelsblad (03-02-1984)

 

 

Carmiggelt

 


Rudolf Geel schreef in de jaren 1976 - 1982 een column in het Amsterdamse universiteitsblad Folia Civatis, en een selectie uit die bijdragen is nu gebundeld onder de titel Het moet allemaal nog even wennen.
Columnisten zijn er in allerlei soorten en maten. Systeem-bouwers, polemisten , hobbyisten, minimumlijders, juristen, kwetals, anekdotici, cholerici, therapeuten, gekken en dwazen. Kenmerkend voor columnisten is dat ze altijd wat te melden hebben, ook al is er eigenlijk niets te melden. Dat is een gave apart, vergelijkbaar met de vroeger zo hooggeschatte kunst van het tafelredenaarschap.

Bij bundeling willen columns nog wel eens tegenvallen, omdat ze dan uit kun kontekst gehaald zijn. Ze krijgen een wat te groot belang en achter elkaar gelezen vallen stijleigenaardigheden en herhalingen van aanpak en onderwerp extra op.
Rudolf Geel behoort tot het genre 'in en om het huis'-columnisten die veel persoonlijk ongemak, belevenissen van de familie, wederwaardigheden van 'een mij bekende dame' of 'een bevriend echtpaar' in hun columns doen, en daar een badinerend stukje van bakken.

De columns in dit boekje gaan bijvoorbeeld over de trimmanie ("Hij ziet er zo goed uit. Het is in één woord beangstigend"), over de naam voor een nieuwe hond, over het versieren van meisjes als aankomend literator, over de opvoedende werking van MacDonald's, over een literair congres in België ("Om half vijf moesten we door ingrijpen van de directie weer een uur vergaderen"), over de crematie van een oom, over teruglopende vakantiebudgetten ("Het beste kunnen wij ons richten op de IJssellinie"). Aardige, pretentieloze stukjes die in Folia Civitatis de broodnodige lichte toets aanbrachten, en gebundeld in staat zijn een regenachtige zondagmiddag te veraangenamen. Waarom Geel ooit een pot verf van zijn naam over zich heen gekregen heeft naar aanleiding van een column, is bij lezing van deze bundel een raadsel.

Het enige dat mij geleidelijk aan begon te hinderen waren de Carmiggelts in Geels columnistenstijl. De plechtstatige woordkeus die bij Carmiggelt heel natuurlijk was, wordt in de schrijfsels van anderen vaak een opgelegd-leuke toon. Men gaat niet zitten, men neemt plaats, men is niet ijverig maar nijver, er staat 'sprak hij' in plaats van 'zei hij'. Het veelvuldig gebruik van die stijlvorm creëert in sommige van Geels stukjes een ontmoedigend jolige toon: "Een mijner neven zit in de patat."
Dáár wil ik niet aan wennen. Maar een pot verf, nee.

Terug