Kees Hartog Waarom zoveel haast, Bwana? (1973)

(Recensie van Hans Vervoort in Vrij Nederland, 24-11-1973)

 

 

Kleine held in bos en veld

 


Kees Hartogs eerste roman (1971) heette Thank you Bwana. Graag gedaan Afrika, wat me een beetje pompeus in de oren klinkt, al zal het best een vriendelijk boek geweest zijn. Dat laatste geldt in elk geval voor het nu verschenen Waarom zoveel haast, Bwana?

Kees Hartog is twee jaar als ontwikkelingshulp in Afrika geweest en beschrijft in dit autobiografische verhaal de periode die hij als landbouwkundige in Kwanilamba doorbracht. Al direct na aankomst in dit kleine plaatsje worden hij en zijn landrover hartelijk verwelkomd door Chanda, de ambtenaar voor landbouwcoöperaties waaraan hij is toegevoegd. Chanda heeft twee assistenten maar geen vervoer, en heeft dus geen gelegenheid gehad om de coöperaties te bezoeken. Het stadje blijkt trouwens vol te zitten met ambtenaren die enigszins onduidelijke bezigheden hebben:

"We liepen naar het groepje ambtenaren die hun handen stonden te warmen aan het vuurtje. Chanda stelde ze voor: deze was van landbouw, die van bosbouw: "Bosbouw? Hier?" "Ja, er is een aanplant van eucalyptusbomen van tien hectare en dat wordt nog groter. Streekontwikkeling, posterijen, assistent van de district-secretaris, onderwijs, visserij, nog een assistent van de districts-secretaris, bibliotheek. "Zo? Is hier zelfs een bibliotheek?" "We hebben nog maar weinig boeken en daarom hebben we een ambtenaar voor de bibliotheek om hier meer boeken te krijgen." (...) Een eind verder, om een ander vuurtje, stonden een heel stel kerels in blauwe uniformen die met rode randjes waren afgebiesd. Korte broek, safari-jasje , grijze kniekousen en kaki hoed met brede rand. Chanda vertelde me dat ze de boodschappenjongens waren. Aan hen werd ik dus niet voorgesteld."


Als Kees eenmaal aan het werk is blijkt al snel dat de moeilijkheden groot zijn. Het land moet geploegd worden en daar is hulp van tractoren voor nodig, maar stuk voor stuk laten deze apparaten het afweten en slechts éénmaal per jaar komt er een ploeg monteurs langs. Het alternatief is het aloude werk met de hak en daarvoor kunnen de coöperatieleden niet warm lopen, omdat ze zich juist zo verheugd hadden op de door de regering beloofde technische wonderen.

Chanda legt zich vrij snel neer bij de hopeloosheid van de situatie en gaat aan het bier, maar Kees gaat nog geruime tijd de coöperaties langs, totdat hij uiteindelijk tot de conclusie komt dat de oplossing niet ligt in het klakkeloos importeren van buitenlandse kennis en goederen, zoals de regering en de bevolking dat willen. Hij ziet het meer in een terugkeer naar de gesloten dorpseconomie van voorheen, maar dan op een wat hoger niveau. De ontwikkelingswerker zou in die constructie alleen zinvol bezig kunnen zijn als hij tussen en met de bevolking gaat leven en probeert een lichtend voorbeeld te zijn en Kees besluit dan ook om zijn standplaats te verlaten en te gaan wonen bij de mensen die hij helpen moet.

Het is een klein kunstje om met Hartogs idealen de draak te steken, vooral omdat hij in zijn ijver soms een nogal naïeve indruk maakt. Dat is niet verwonderlijk omdat het me hondsmoeilijk lijkt om met de mentaliteit van een moderne westerse jongere naar een ontwikkelingsland te gaan. Je komt dan terecht in een samenleving die niets liever wil dan in snel tempo profiteren van de moderne techniek, maar de prestatiedrang mist die dat proces zou kunnen vergemakkelijken. Kees Hartog is schrijver genoeg om niet te kunnen nalaten zich ironisch te uiten over de eigenaardige situaties die hij aantreft, maar hij heeft er een seconde later alweer opzichtig spijt van.

 

Frustratie 

Een tweede probleem is dat je als westerse jongen natuurlijk op pad gaat met het vaste plan je nederig op te stellen. Wat drommel, je bent toch immers maar een gewone jongen van de vlakte, je weet eigenlijk nog van niks, je komt net kijken. Maar het is natuurlijk een feit dat al snel blijkt dat je eigenlijk ontzaglijk veel méér weet dan de groep waar je in terecht komt en geen wonder dat je dus een plaatsje krijgt bij de wijzen van de stam. Doe er maar eens wat aan (en stel dat het zou lukken: dan ben je ook meteen de invloed kwijt waar je eigenlijk voor gekomen bent). Frustratie, frustratie.

Maar het belangrijkste probleem is uiteraard dat wij in het Westen net tot de conclusie aan het komen zijn dat ons technisch vernuft ons op een doodlopend spoor heeft gebracht, en dat we dus wat stapjes terug moeten doen. Vertel dat maar eens aan mensen die net geroken hebben aan de mogelijkheden van de moderne techniek en vlijtig bezig zijn grote ladingen DDT op hun land te strooien.
Kortom, het lijkt me geen lolletje om landbouwdeskundige in een ontwikkelingsland te zijn en dat blijkt dan ook overduidelijk uit Hartogs boek. Hij is overigens eerlijk genoeg om in kleine anekdotes te laten merken dat ook hij onherroepelijk geïnfecteerd is geraakt door de oude Tuan Besar-normen:

"De troep in de keuken begon me danig te irriteren. Ik had bijna niets meer om van te eten. "Nu meteen? Wilt u nu een huisjongen?" "Als dat zou kunnen?" Hij wenkte een paar jongens die toevallig in de buurt liepen (had ik zelf natuurlijk ook kunnen doen), smoesde even met hen in het ilala en zei: "Deze", een jongen van een jaar of dertien, hooguit veertien, "deze wil wel voor u afwassen." De jongen zag er bruikbaar uit, maar nog erg jong. Nou ja, alleen maar voor de afwas. "Hoe heet je?" "Danny." Geen sir erachter, geen bwana, niets. Misschien nog te jong om beleefd te zijn - nieuwe generatie."

Aardig is ook de hier en daar optredende zucht om overal de macht van het grootkapitaal te zoeken: "Misschien kun je die vrouw weer naar haar vader brengen en het geld terugvragen." "Nee sir. Haar vader heeft een radio gekocht." "Een radio?" Z'n dochter in een radio omgezet? "Welk merk?" "Sir?" "Die radio, wat voor merk staat er op die radio? De naam van de fabriek." "Philips , sir." Dus ook dat geld kwam uiteindelijk weer in een rijk land terecht."

De volstrekte ernst waarmee Hartog dit soort overtredingen van de grootindustrie noteert werkt enorm op mijn lachspieren. Gelukkig zijn er ook terreinen waarover hij onbelemmerd door schuldgevoel kan schrijven en dat doet hij het best als het gaat over de kleine gemeenschap van Europeanen en inheemse ambtenaren,
hun drinkgewoonten en hun contact met de plaatselijke meisjes.

"Kijk uit!" schreeuwde Tony. Maar het was al te laat. Derrek stond met zijn rug naar haar toe, de as van zich af te kloppen en ze drukte haar sigaret pardoes tegen zijn achterwerk. De vonken vlogen in het rond, over de vloer en op de
bank, waar ze kleine gaatjes brandden in de bekleding. Derrek greep naar zijn achterwerk. "Shit! Heb je zoiets ooit meegemaakt? Ongelooflijk! Ze heeft me gebrand. Ik voel het. Dat wordt een blaar. Maar ze zal het straks af moeten zoenen, hahaha." Er zat een rond zwart gaatje in zijn kaki korte broek."

Eigenlijk best een aardig boek.

Terug