Jan Mulder Jacob's wapen: roman (1991)

Recensie van Hans Vervoort in Vrij Nederland (18-01-1992)

 

 

 

Een koortsdroom van ellende




Oorlog is op zijn best geen lolletje en wie het heeft meegemaakt houdt er herinneringen aan over die verwerking behoeven. Soms worden ze opgeschreven, uit therapeutische overwegingen, of om bij te dragen aan kennis over wat er gebeurde, of als literaire uiting. Als dergelijke herinneringen het brengen tot een publikatie gaat het meestal om een boek waarin die doelstellingen gecombineerd zijn. De auteur wil iets van zich afschrijven, en gebruikt daarvoor wat hij aan literaire overtuigingskracht in huis heeft. Maar het is tegelijk een stukje geschiedschrijving door een slachtoffer. Dat vraagt enerzijds om therapeutisch begrip, maar roept aan de andere kant ook op tot enig tegenspel: klopt het wel, was het echt zo erg?

Die combinatie van verslaggeving, persoonlijke beleving en verwerking, en de literaire vorm waarvoor de schrijver koos, maakt oorlogs- en kampherinneringen tot een heel moeilijk te beoordelen genre. Dat geldt het minst voor herinneringen aan de Duitse tijd. Daar is langzamerhand zoveel over bekend dat de persoonlijke geschiedenissen een goed referentiekader hebben, ze zijn te plaatsen. We weten veel minder over de rol die Japan tijdens de oorlog in Azië vervulde. Die kwestie komt in Nederland zelden ter sprake, heel begrijpelijk want het was een heel eind weg en er was een eigen oorlog dichterbij.

Maar omdat we een kolonie in dat gebied hadden begint langzamerhand toch een Jappenkamp -verhaalplankje in de bibliotheek te ontstaan. Daarvan springt een tweedeling in het oog: hun literaire stijl. Droge, laconieke herinneringen (Rob Nieuwenhuys, C. van Heekeren) tegenover zwaar emotioneel geschut (Jeroen Brouwers, J.G. Ballard). Zowel de overdrijving als het understatement werken als stijlvorm alleen goed als de lezer een idee heeft van de werkelijkheid die beschreven wordt. Waar begint de literaire verheviging, en waar gebruikt de schrijver een understatement om te scoren? Weinig Nederlandse lezers zullen dat met enige zekerheid kunnen aanvoelen, want telkens blijkt dat we geen referentiekader hebben, er is vrijwel geen materiaal beschikbaar om de persoonlijke herinneringen van de schrijver aan te kunnen toetsen.

Nog moeilijker wordt het als het gaat om oorlogsherinneringen van kinderen. Zelf behoor ik tot de groep die een stukje jeugd in een Japans interneringskamp heeft doorgebracht, van mijn derde tot mijn zesde jaar. Meer dan wat herinneringsflarden heb ik er niet aan overgehouden, net genoeg voor een paar boekpagina's. Ik behoorde kennelijk tot het type kind dat met grote, niet-begrijpende ogen alles accepeert wat hem overkomt, en er een paar vreemde beelden aan overhoudt. Het kan ook geheel anders.

Jan Cremer en Jeroen Brouwers (beiden van 1940) hebben een heel boek kunnen schrijven over hun oorlogsjaren, en in het Engelse taalgebied de wat oudere J.G. Ballard. Wat zij gemeenschappelijk hebben is de hevige vorm van de herinneringen, boordevol emoties en het bepalen van een houding tegenover de aan- of afwezige ouders. Het is eerder een freudiaanse afrekening dan een verslag, en meer literatuur dan historie.

Het romandebuut van Jan Mulder (waar ken ik die naam toch van?) past in dit rijtje. Een overbevolkt Japans interneringskamp in Sumatra, een eenzelvige kleine jongen die pas op zijn derde jaar kan praten, een weinig aanhalige moeder, vader die naar een andere bestemming is afgevoerd en in de herinnering voortleeft als een vage mythische figuur zonder wie het leven niet compleet kan zijn. Veel ziekte, honger, wanhoop, dood.
"Een mager meisje staarde met open ogen recht omhoog; een blauwe vlieg probeerde tussen haar dunne lippen te kruipen. Een andere vlieg zat verward in haar dode haar en trachtte zich uit de krullen te bevrijden. Niet kijken, zei moeder, niet kijken, en ze drukte zijn gezicht in haar hals."

Het zijn de beelden die je verwacht van een interneringskamp en Mulder rijgt ze aaneen tot een koortsdroom van ellende. Toch is dit niet meer dan de achtergrond. De rode draad in deze roman is het chronisch verzet van het kind tegen elk warm contact, en tegelijk de innige behoefte daaraan. Na de oorlog, als vader weer herenigd wordt met zijn gezin, is er even zicht op geluk, want vader is ook in werkelijkheid de beloofde held. Maar de politionele acties en de repatriëring van moeder en zoon naar het koude, sombere Holland herstellen dc situatie van bitter ongeluk en eenzaamheid.

Jan Mulder lijkt op Jeroen Brouwers in zijn neiging tot literaire verheviging en bloedrode beeldspraak, maar Brouwers heeft het doseringsinstinct van de echte verteller en dat mist Mulder. Vooral de verongelijkte toon van de ik-verteller begint na enige tijd ernstige irritatie op te wekken. De ik is zielig, oké, maar het voortdurend herhalen van die boodschap tast de kracht aan van dit overigens niet slechte debuut.

Terug