Bart Veenstra - Zondagsboeren (1975)

Recensie van Hans Vervoort in Vrij Nederland (31-05-1975)

Bart Veenstra - Zondagsboeren

Ewout Speelman - Laatste lente




 

Allee, weg met dat boze bolletje ....



De mens op zoek naar geluk, door voorspoed en tegenslag geteisterd, dat is het centrale thema van twee streekromannen die ik met smaak gelezen heb. De eerste, Zondagsboeren van Bart Veenstra, houdt zich bezig met de problematiek van Annie Bakker die al 27 is en nog steeds bij haar ouders thuis woont, zonder dat in de verste verte ook maar een vrijer in zicht is. Als haar vriendin Molly Brands (zelf naar Amsterdam uitgevlogen) schrijft 'Meid, je wordt zo langzamerhand een ouwe trut, maak dat je het huis uitkomt' neemt zij het besluit te solliciteren naar de betrekking van dame voor de huishouding op een boerderij in een nabijgelegen dorp.

Daar wacht haar echter een onaangename verrassing. De boerderij blijkt bewoond te worden door twee heren van een jaar of dertig en pas na veel aandringen durft Annie het aan om de woede van haar moeder en het geroddel van het dorp te trotseren. Thuis zoekt ze in het telefoonboek op wat de heren eigenlijk doen, want boeren zijn het bepaald niet. 'Met haar vinger gaat ze de kolommen bijlangs en lispelt: K, L, M, N, O, P, Polling ....Polman. Haar vinger stokt en ze leest hardop: 'Polman...Illustrator...Dorpsstraat
68...Middenveld'. Een weldadig gevoel komt over haar, het is een artiest en ze maakt een vreugdedans door de kamer. Dat belooft wat, kunstenaars zijn gezellige mensen die van plezier houden. Vervolgens gaat ze voor de spiegel staan en spreekt tegen haar spiegelbeeld. 'Juffrouw Bakker, je wordt met ingang van maandag gezelschapsdame bij een artiest, maar zeg het niet tegen je moeder, want dan overleeft ze het niet'.

Jan Polman is een rijke boerenzoon die de kolder in de kop heeft gekregen en de landerijen heeft verkocht omdat hij liever als tekenaar zijn boterham verdient. Zijn metgezel, Cor Brakels, is een arme journalist die voor de gezelligheid bij zijn vriend is ingetrokken. Uiteraard wordt de ernstige Annie niet verliefd op de vrolijke Polman, maar op de tobberige Brakels, die haar echter niet durft laten blijken dat deze gevoelens wederkerig zijn. Wat
kan hij haar bieden? Niets immers. Gelukkig komt Molly Brands over uit Amsterdam, voor een lange logeerpartij. Dit levendige tiep zorgt er snel voor dat de twee schuchtere verliefden tot elkaar komen en raakt en passant zelf haar hart kwijt aan Polman. Die wil wel, maar is bang dat het Molly om zijn geld te doen is. Als ze dat hoort vertrekt Molly boos naar haar nieuwe werkkring als hoofdverpleegster in een nabijgelegen ziekenhuis. Er is een truc van de knoestige ouwe knecht Jans nodig om het korzelige tweetal bijeen te brengen en dan gaat het verder vanzelf: 'Ze voelt dat ze gaat verliezen en weer trekt hij haar naar zich toe. 'Allee, weg met dat boze bolletje, we hebben lang genoeg in de puree gezeten'. Snikkend klemt ze zich aan hem vast. 'Jan....o Jan...' Het eindigt uiteraard met een dubbele bruiloft en een gift aan de kerk.

Honderden malen is dit verhaal al in allerlei variaties opgeschreven en nog honderden malen zal ik het met spanning lezen. Er kan toch altijd nog iets tussen komen, je weet nooit wat zo'n schrijver zich in zijn hoofd haalt. Maar Zondagsboeren voldoet nog geheel aan de eisen van de ouderwetse driestuiversroman, jonge mannen en jonge vrouwen die naar elkaar op zoek zijn en elkaar vinden ondanks schijnbaar onoverkomelijke obstakels. Het enige wat zorgen baart is de duidelijke ontkerkelijking die zelfs tot in dit genre literatuur is doorgedrongen: niemand stelt enig belang in de mening van de dominee en ook deze houdt zich nog uitsluitend bezit met het verzamelen van geld voor de restauratie van de kerk. Als Polman hem een royale gift doet toekomen is hij allang tevreden en het zal hem een zorg zijn dat deze zelfde Polman in het hele boek geen gedachte wijdt aan de diepere achtergronden van het leven op aarde.

 

Oorlog op het platteland 


Dat geldt ook voor Laatste Lente geschreven door Ewout Speelman. In dit boek is zelfs sprake van duidelijke sympathie voor links, althans er komt een aardige ouwe vrijster in voor, Rooie Griet Langendijk, de enige in het dorp die de hoofdpersoon uit de financiële nood helpt als hij aan de rand van een faillissement staat. Laatste Lente is wat pittiger dan Zondagsboeren, meer voor de man geschreven, vooral vanwege enkele gewaagde passages. Ga maar na. Arjan de Geus is een oersterke blonde reus met een handicap: door een jeugdziekte is hij stokdoof geworden en raakte één oog bedorven. Hij woont eenzaam en alleen, damt op Zondag wat met Anneke van de buren en leeft in zijn eigen stille wereld totdat op een dag een zigeunervrouw langs komt. 'Ze strijkt zich behaagziek langs haar heupen, tilt dan na even vluchtig rondgekeken te hebben onverwacht haar roken op, wijst op haar buik en vraagt of het de gewoonste zaak van de wereld is: 'Mij hebben ? Tien guldens.'  Arjan heeft er later vaak over nagedacht, maar hij heeft nooit kunnen verklaren hoe hij de vrouw ineens beetpakte en haar ruw nam in een woeste omhelzing ...'

Het kost hem uiteindelijk 25 guldens, maar het is de gebeurtenis van zijn leven. Al direct verlangt hij naar herhaling ('Hij had meer briefjes van vijfentwintig in zijn boekje'), maar de zigeuners zijn pijlsnel door Bromsnor het dorp uitgejaagd en onbereikbaar geworden. De oorlog komt en gaat. Arjan wordt na de bevrijding nog even opgepakt want hij las Volk en Vaderland en damde wel eens met een paar oudere Duitse Soldaten, maar keert na een paar weken toch op het honk terug. Aan de zigeunerin denkt hij nog vaak, maar hij heeft wel eens gehoord dat Hitler ze uitgeroeid heeft, dus veel kans op herhaling is er niet.

Dan komt Anneke Gorter in de problemen. Het buurmeisje is volwassen en aantrekkelijk geworden en houdt van een lolletje . Aan het eind van de oorlog wordt ze dan ook kaalgeschoren, maar na een paar maanden zag ze er weer toonbaar uit om een leuk contact te kunnen hebben met Canadese militairen. En ja, daar werd ze zwanger van. Buurvrouw Gorter komt op bezoek en vraagt ronduit, zoals in Westfriese kringen gebruikelijk, of Arjan niet met haar dochter trouwen wil om het kind een naam te geven. Arjan aarzelt. Anneke is hem wat te mager en ze zou zijn dochter kunnen zijn. 'Zonder het te willen zegt hij ineens, nog half in gedachten: 'Met Anneke kan het niks worden, dacht ik, maar jij zou met mij kunnen trouwen buurvrouw."

Buurvrouw hoort hier niet van op, ze had er zelf ook wel eens aan gedacht. 'Hij zag er netjes uit, geen knappe man met dat ene slechte oog maar ze kon met hem voor de kramen om. (...) Ze zouden hun grond bij elkaar kunnen voegen, hij iets meer, zij iets minder en bouwen heen gaan. Haar oudste zoontje kwam al in de hand, met koolplanten zetten en aardappel rooien had je veel aan hem'. Maar het kan niet zijn, haar dochter Anneke heeft nu méér behoefte aan een man 'en ze praat zolang tot Arjan, murw van het gezanik ten slotte mompelt: 'Nu dan moet het maar gebeuren'.

Het valt de hupse Anneke niet mee te leven met die stille man die zijn eigen gang gaat, haar alleen verstaat als hij haar lippen ziet bewegen en zelfs op de eentonige manier van doven alleen het uiterst noodzakelijke meldt . 'Met veel moeite heeft ze hem - pront en schoon op haar lichaam als ze zelf is - bewogen tenminste eenmaal in de week zich helemaal te wassen, vooral zijn voeten die met permissie stonken in zijn sokken. Met nog meer moeite haalt ze hem over haar zijn nagels te laten knippen, die bijna over zijn tenen heengroeiden . Dat is dan de enige keer dat hij echt kwaad wordt omdat hij, in zijn kleinzerigheid, de nagelschaar en het vijltje waarmee ze de kaas tussen zijn tenen wegpeutert vreest en het soms uitbrult van vermeende pijn.' 's Avonds overvalt hij haar wel eens. 'Voor ze zich kon verweren, nam hij haar als een bronstig dier , rauw, schijnbaar geheel buiten zinnen'.

Neen, een ideaal huwelijk is het niet en achteraf was het ook niet nodig
geweest want het kind wordt dood geboren, eigenlijk maar beter ook want het had een zwarte huid. Na een paar jaar houdt Anneke het voor gezien , ze zoekt weer contacten in de grote stad en blijft hangen aan een flashy handelaar in lompen en metalen . Intussen heeft Arjan besloten boekhandelaar te worden, want hij las altijd al graag. Het jongere zusje van Anneke helpt hem bij de inrichting van de winkel. Lien heet ze, bijgenaamd Lien Horrel, om voor de hand liggende redenen. Ze is broodmager en weinig aantrekkelijk, op haar ogen na die hem doen denken aan die van de
zigeunerin. En op een avond na het werk springt de vonk over. 'Ik wil je laatste lente zijn , Arjan , grote beer.' Met Lien vindt hij dan eindelijk het rustige geluk en er komt ook een kind Piet genoemd.


Het geval wil zelfs dat Arjan na een moeilijke hersenoperatie zijn gehoor gedeeltelijk terugkrijgt. Maar zoveel geluk achter elkaar kan natuurlijk niet ongestraft blijven. Lien overlijdt dan ook aan kanker en Arjan leeft goed en zo kwaad het gaat verder met zijn zoontje. Intussen is Anneke ook weer teruggekeerd in het dorp. De blitse handelaar heeft haar in de steek gelaten en ze werkt nu netjes in de chips-fabriek , leest 's avonds veel, kijkt niet meer naar de mannen, kortom ze is haar wilde haren kwijt. Zoontje Piet heeft veel met zijn tante op en zo kan het gebeuren dat Arjan op een avond haar hand grijpt en schor zegt: "Je moest maar weer bij me terugkomen Anneke . We hebben allebei ons lesje geleerd, we praten er niet meer over. En... Lien zou het goedvinden." Ze knikt en herhaalt toonloos: "Ja, Lien zou het goedvinden..."

Het bovenstaande kan natuurlijk niet meer zijn dan een korte samenvatting. Ik heb allerlei bijfiguren weggelaten die kort in het verhaal optreden en plotseling meestal door de Heer, weggenomen worden. Ook het weerzien met de zigeunerin heb ik nog vergeten, alsmede vele prachtige Westfriese gezegden. Er wordt nogal eens neergekeken op streekromans, maar ik hoop met het bovenstaande aangetoond te hebben dat er ook op het platteland nog heel wat gebeurt, zelfs in het leven van een gehandicapte . En als het dan zo behendig wordt beschreven als Ewout Speelman doet, dan is er voor stadsmensen alle reden om eens een flatroman minder te lezen en zo'n boerenverhaal ter hand te nemen.


















































































Terug