J. Bernlef - Hondedromen (1974)

Recensie van Hans Vervoort in Vrij Nederland, 02-11-1974



Bernlef aan de kop van het peloton: verhalen van de sombere oude dag





In deze tijd van longkanker, hartontploffingen, fobieën, maagbezwaren en knobbeltjes op de borsten, denkt eigenlijk niemand meer aan de oude dag. Je bent al blij als je met goed fatsoen de zestig haalt. Lukt dat, dan schijn je geleidelijk aan in kalmer vaarwater te komen. Natuurlijk, er komen gebreken, maar vaak zo langzaam dat je je eraan aan kunt passen. Het hart is niet meer je dat, maar niemand verwacht meer atletische prestaties van de AOW-er, een been wordt onwillig (maar dan loop je wat minder), een arm gaat trillen, so what. In zijn bundel Hondedromen - 8 verhalen over de oude dag -gaat Bernlef voorbij aan lichamelijke mankementen. Hij concentreert zich geheel op dat moment van de aftakeling, waarin het geheugen een bedrieglijke rol kan gaan spelen. Soms is het er nog helemaal, soms vallen er gaten, soms schuiven gebeurtenissen uit het verleden zo sterk naar voren dat je er weer helemaal in opgaat. Zoals bij de oude man, die naar zijn werk gaat:



'Ze lag in bed en wachtte op hem. Toen hoorde ze in de gang een hangertje op de grond vallen. "Manuel," riep ze. "Manuel, wat doe je?" Ze kwam uit bed.

Hij was al halverwege de trap. Hij had zijn jas over zijn pyjama aangetrokken en probeerde onder het lopen de knopen dicht te maken. Ze stond boven aan het verlichte trapgat in haar witte flanellen nachthemd. "Wat ga je doen?" zei ze. En weer keek hij haar zo aan, zijn hoofd op de kale dunne nek schuin naar boven gedraaid. Alsof ze naar de bekende weg vroeg. "Naar de werkplaats." "Maar het is zaterdag." Dat zei ze terwijl hij verder de trap afliep.



In dit fragment komen beide thema's naar voren die alle verhalen beheersen. In de eerste plaats de aftakeling zelf: hoe zal het gebeuren, wanneer zal het gebeuren, op welk moment houdt men op 'ik' te zijn en wordt men gereduceerd tot een marionet van het geheugen. In de tweede plaats de effecten van die aftakeling op de naaste omgeving: veel verhalen worden geschreven vanuit iemand in de nabijheid. In dit geval is dat de vrouw van Manuel die zijn geestelijk vertrek met pijn gadeslaat, maar er ook zèlf door getroffen wordt: op het beslissende moment speelt ze mee door te zeggen 'maar het is zaterdag', inplaats van te vertellen dat er niet meer gewerkt hoeft te worden.

Eenzelfde lot treft de man in het verhaal Geboorte. Zijn vrouw herbeleeft op een nacht de geboorte van hun kind: 'Haar donkergrijze haar bewoog op het kussen. "Voel je niets?" "Nee," zei hij. Hij wilde zijn hand terugtrekken, rechtop gaan zitten, maar ze hield zijn hand met kracht tegen. "Je moet niet zo ongeduldig zijn. Zo direct komt het weer." "Wat dan?" "Nu. Voel je niet hoe het schopt?" Hij kleedde haar uit, deed voorzichtig de lange flanellen nachtpon aan en legde haar in bed. Ze hield haar handen tegen haar buik gedrukt. Hij zag hoe ze zo nu en dan met een schok haar benen optrok onder de wijnrode moltondeken. Hij sloot de gordijnen en ging naar beneden. Pas in de keuken huilde hij. Er kwam geen geluid uit zijn keel. De tranen liepen zomaar uit zijn ogen, tussen zijn baardstoppels, in de openstaande kraag van zijn overhemd. Wat moest hij doen?'

Wat hij uiteindelijk doet is mééspelen, en komt dan snel in een toestand terecht waarin hij zelf herinnering en werkelijkheid ook moeilijk meer uit elkaar kan houden: 'Hij luisterde even, met geheven hoofd. De vroedvrouw was nu bij haar. Ze dacht dat de vroedvrouw bij haar was.' In De Druppel wordt het verhaal geschreven vanuit de dochter. Vader woont in een belendend huis en zijn schoonzoon heeft een babyfoon aangelegd waarmee de dochter voortdurend kan horen of er iets aan de hand is met vader. Die babyfoon wordt een obsessie, voortdurend luistert ze met een half oor naar de schaarse geluiden die uit het andere huis komen. De wekelijkse copulatie vormt daarin een onwelkome onderbreking:

'Het was de vaste dag: vrijdag. Zoals maandag wasdag, woensdag gehaktdag en zondag zondag was. Met één hand trok hij de dekens terug, met de andere schoof hij door zijn knieën zakkend haar nachthemd omhoog. Vanonderen was ze droog. Droog en onvruchtbaar. Wat hij ook deed. Al jaren werd ze niet meer ongesteld. Hij kon doen wat hij wilde, zijn zaad liep in haar verloren, dood. Voor het eerst was die gedachte een verdediging, een schild. Het was vrijdag en dus kwam hij schreeuwend klaar, maar zij had er niets mee te maken. Hij schoof van haar af en draaide zich op zijn zij. Ze stond op en legde de dekens over hem heen, stopte ze in. Toen liep ze naar de babyfoon en zette het apparaatje weer aan. Een ogenblik stond ze luisterend voor de muur. Maar er was niets dan ruisende stilte en een trage druppel langs haar dijbeen, die dikker en zwaarder werd, losliet en viel. Met haar hiel wreef ze hem draaiend in het vaste tapijt.'

Ik las laatst ergens dat Bernlef nooit helemaal de belofte had ingelost van zijn vroeger schrijverschap. Ik las ook over het bestaan van een nieuwe neo-realistische richting in de Nederlandse literatuur. Het zou me niet verwonderen als Bernlef met deze bundel twee vliegen in een klap sloeg: als deze perfecte verhalen geen belofte inlossen, dan weet ik het niet meer, en als er een neo-realistische richting bestaat dan heeft hij zich met deze bundel veilig aan de kop van het peloton genesteld.





Terug