M. Jacob - De Opstand (1986)



Recensie van Hans Vervoort in NRC Handelsblad (24-10-1986)

Jean Severeijns - Het vermoeden

M. Jacob - De Opstand




Gevechten op het klein -seminarie en aan de evenaar



Het gereformeerdendom heeft de afgelopen jaren een monopolie gehad in de literaire verwerking van jeugdtrauma's, en ik vroeg me wel eens af waar de katholieken bleven. Alhoewel de grote en kleine zonden beneden de rivieren wat makkelijker weggewist worden, is de handel in vergeving daar het privilege van pastoors en kapelaan, en het is niet zo lang geleden dat die macht het leven van de kleine katholiek beheerste.

In Het vermoeden schildert Jean Severeijns een drieluik van jongensleed in een zwaar katholieke omgeving, waar God Alles Ziet, weinig tot niets mag en de katechismus antwoord geeft op alle vragen: "Is er meer dan één God? Er is maar één God. Heeft God altijd bestaan? God heeft altijd bestaan: Hij is eeuwig." Het eerste verhaal in deze bundel beschrijft de laatste jaren van de oorlog, en het opgroeien in een gezin met acht kinderen, vader en moeder eeuwig slovend om de eindjes aan elkaar te knopen, onder het goedkeurend oog van de stereotype kapelaan: "Hij rook naar sigaren, reed op een damesfiets, werd door iedereen eerbiedig gegroet, was vriend met de burgemeester en de dokter, en in de mis mocht hij alleen God vasthouden."

Vader is slager en het hele huis èn de tuin is aan die bezigheid gewijd. "Onze tuin was een begraafplaats van restanten koeien en varkens: schedels ribbenkasten, stukken vacht en hoeven. Het kon je gebeuren dat je dan zelfs plotseling met je schoenen in de gifgroene blubber van stinkende rottende ingewanden stond of op koeieogen trapte." Omdat vader ook aan Duitsers verkoopt en het vlees verpakt in overbodige Volk en Vaderlands, wordt het gezin als NSB-gezind beschouwd en na de bevrijding ontsnapt het ternauwernood aan de spontane volkswoede.

De ik-persoon in deze verhalen is het klassieke lulletje rozewater: altijd de laatste om gekozen te worden bij het voetballen, te teer voor het slagersvak, braaf in het leren van de katechismus, bang voor alles wat God verbood maar wat zijn lichaam toch doet, zodat hij elke erectie bij een andere kapelaan probeert te biechten. Lulletjes rozewater met hersens kwamen in die tijd nogal snel in aanmerking voor een roeping als priester en als vanzelf belandt de ik-persoon op het klein -seminarie.

Daar speelt het derde verhaal zich af, en de schrijver noemt die periode een oorlog die duurde van 1946 tot 1950. "Oorlog, belichaamd in de persoon van één man: de President, honderdtwintig kilo mens, godgewijd, gedoctoreerd ergens in Duitsland, geheim Kamerheer van de Paus, geheim, heimelijk, één brok onderdrukt geweld, dat overal en op elk moment kon losbarsten, de President, dictator, op weekdagen in het zwart, op feestdagen in het paars, een beer in het paars, even log als agressief, monseigneur Van der Em."

Het klein-seminarie blijkt een oord van verstikking, want God laat niets van Zijn liefde merken. De leerlingen leven onder een strak regime en worden met argusogen bespied op mogelijk homosexueel gedrag. Elke vriendschap met een lotgenoot betekent verdenking en mogelijke verwijdering en dus schande voor de familie.
De President houdt elk verdacht contact in de gaten en staat klaar om de leerling voor onderzoek te sturen naar een bevriende psychiater. Dat overkomt tenslotte ook de ik-figuur en het is het begin van de grote woede die hem ten slotte bevrijdt.

Het Vermoeden is een zeer pissig boekje, waarin de boosheid het gelukkig wint van het zelfbeklag en met slagersvakmanschap de zalvende teksten van de religieuze elite ontleed worden. Een genoegen om zoiets te lezen. Alhoewel Severeijns meestal nauwkeurig formuleert, kan ik toch aanraden om in een tweede druk iets te veranderen aan de beschrijving van de dagelijkse bezigheden van moeder in de woonkamer van de slagerij: "In dat hok speelde zich ons leven af, bracht mijn moeder acht kinderen groot, kookte ze, (....)." Zó vuil kan het badwater niet geweest zijn.



Politionele acties

Terwijl Jean Severeijns' held zijn oorlog op het klein-seminarie voerde, vond in dezelfde periode van 1946-1950 elders een ander gevecht plaats.
Over de politionele acties zijn al heel wat verhalen geschreven en Joop van den Berg maakte er in 1982 nog een bundel van: De keerzijde van de medaille (Uitg. Leopold) waarin zowel van Indonesische als Nederlandse zijde verteld wordt over de periode, die menigeen aan Nederlandse kant zo graag anders en beter zou willen overdoen. Ellendige verhalen meestentijds, vol moedeloos afgrijzen over het doden en gedood worden, van schrijvers als Bep Vuyk, Pramudya Ananta Tur, Lin Scholten, Roswitha Djajadiningrat, A.L. Scheiders (waar is hij gebleven ?), Trisnujuwono, enz.

In de roman De Opstand doet M. Jacob er opnieuw een boekje over open. Achter dit pseudoniem gaat een Nederlander schuil die als planter in Indonesië heeft gewerkt en nu hoogleraar antropologie is aan de universiteit van Jakarta. Hij debuteerde in 1984 met de roman Aan het eind van de middag, waarin verteld wordt hoe de soevereiniteitsoverdracht van eind 1949 beleefd werd in de gesloten gemeenschap van een koffie - en rubberonderneming.
In De Opstand gaat het om Gerrit Vermeer die in 1946 als jongeman naar het "land aan de evenaar" wordt getransporteerd om de bevolking te bevrijden van het gespuis dat in opstand was gekomen. Na een korte opleiding en kennismaking met de brallerige militaire leiding gaan Gerrit en zijn lotgenoten de politionele akties in, voornamelijk een kwestie van wachten en wachtlopen en een enkele patrouille.

Soms is er een confrontatie met de, meestal onzichtbare, tegenstanders: "Een van de vijanden, de man met de helm, was zo door kogels doorzeefd dat zijn arm er los bij lag. De drie die getroffen waren, lagen voorover en staarden met grote verwonderde ogen star voor zich uit toen Gerrit hen omdraaide. Hun wapens lagen naast hen, een verouderd geweer met drie patronen en twee slagwapens. De vierde had niks."

Twijfel aan de zin van hun aanwezigheid in dit vreemde land groeit, zeker als ze ook nog kennis maken met de wijze waarop gevangenen worden mishandeld om informatie te krijgen. "In een afgesloten ruimte gebeurde dat, een gebouwtje dat apart stond maar van waaruit de angstkreten van de gevangenen goed hoorbaar waren. Vooral in het begin veroorzaakte dat verbazing en afkeer, maar het werd afgedaan met het bericht dat het hier lieden betrof die de gruwelijkste misdaden bedreven hadden. De verbazing en afkeer verdwenen prompt. Maar toen er steeds nieuwe gevangenen werden aangevoerd en de mishandelingen voortduurden, ging men twijfelen."

En dan ontwaakt Gerrit ineens in een hospitaal van de vijand, als enige overlevende van een hinderlaag. Geen martelingen aan deze zijde van de frontlinie, de vijand blijkt weinig haat te hebben tegen de blanke overheersers, maar op beminnelijke wijze vastbesloten te zijn ze niet meer in zijn land te dulden. "Gevangene zijn van een tegenstander die men haat en veracht is niet zo erg, dacht Gerrit, want daar kan men op een eenvoudige manier zijn gedrag op afstemmen. Veel erger is het gevangene te zijn van een vijand die vriendelijk is en het gelijk aan zijn zijde heeft."

Als hij genezen is volgt een lange reeks verplaatsingen, waarbij hij nu eens riant gehuisvest wordt om even later weer in een barre cel te belanden. Begeleiders wisselen elkaar af, maar één ding blijft hetzelfde: de uiterste beleefdheid van zijn cipiers en de sterke behoefte van hoger en lagergeplaatste Vijanden om met deze toch niet erg belangrijke krijgsgevangene te converseren over de rechtvaardigheid van hun vrijheidsstrijd. Gerrit overweegt zelfs om van partij te wisselen, maar vindt toch dat je zo'n besluit eigenlijk alleen in vrijheid mag nemen, niet als toch al overwonnen gevangene. Na meer dan een jaar komt er plotseling een eind aan zijn gevangenschap, de soevereiniteitsoverdracht is een feit, de blanken kunnen naar huis.

Een "roman" mag dit verhaal eigenlijk niet heten, het is eerder een geromantiseerde kroniek van wat iemand tijdens de politionele akties overkwam, inclusief alle toevalligheden die in het gewone leven meestal de gebeurtenissen bepalen. Personen komen en gaan volgens de willekeur van het moment. Dat vergroot de indruk van authenticiteit maar verbrokkelt het relaas. De schrijver heeft het in een wat slordige stijl opgeschreven en sterk de nadruk gelegd op het edele karakter van de vrijheidsstrijders tegenover de botte arrogantie van de Hollandse onderdrukkers. Daar zit ongetwijfeld veel waarheid in, maar zoals het hier verteld wordt is het te mooi om waar te kunnen zijn. En dat is een grote zwakte in een verhaal.




Terug