Tymen Trolsky - Aliesje (1975)

(Recensie van Hans Vervoort in Het Parool, 09-08-1975)

 

 

 

Uitstekend besluit



Veel speurwerk is de laatste tijd verricht naar de werkelijke identiteit van de dichter/schrijver Tymen Trolsky. Diverse auteurs wezen met verontwaardiging de suggestie van de hand dat zij zich onder dit pseudoniem zouden verschuilen, en de laatste berichten gaan in de richting van een brabantse onderwijzer. Wie het ook is, na lezing van Trolsky's roman Aliesje begrijp ik die behoefte aan anonimiteit volkomen. Als ik dit boek geschreven had zou ik er ook niet voor durven uitkomen.

Het gaat over een jonge man die een diepe affectie opvat voor een meisje in de lagere-schoolleeftijd. Met toestemming van haar milde en begrijpende moeder mag het kind best een paar maanden bij die jongen logeren, omdat het immers dichterlijk-platonisch blijft, maar op den duur komen er toch wat moeilijkheden met de rest van de familie. Een wat onalledaagse gegeven, maar niet iets om nu echt nerveus van te worden.

De schrijver gaat echter te keer alsof er in zijn omgeving een atoombom ontploft is en hij woorden tekort komt om zijn pijn te beschrijven, haalt vervolgens (bij wijze van spreken dan) in alle rust om de hoek een onsje dun gesneden kaas, maar op de terugweg: wéér die atoombom. Tussen de bedrijven door wordt regelmatig verwezen naar een vroegere krankzinnige liefde voor "Namibia kun je d'r noemen. Of ook niet. Je kunt d'r de naam geven die je zelf wilt, 't kan me niks schelen. Zèlf noemde ze zich "Shonuto". Zo noemde ik d'r ook." Ik zou er evenmin een punt van willen maken.

Shonuto zal ze dus heten. "Shonuto...Shonuto... M'n herinneringen zullen onstuimig naar je uitgaan, naar die plaats waar 't water opspatte aan je voeten. Waar ik je kleren uitzinnig aan flarden scheurde. Waar ik 't zand op je vloekende, stilgeworden mond, je benen, je buik wegkuste, en waar ik uit louter woede takken brak en dolzinnig in de trage stroming wierp."

Dit zijn willekeurig gekozen citaatjes uit een boek dat ruim 260 pagina 's van dit kamikazeproza bevat. Trolsky probeert de emoties van zijn hoofdpersoon over te dragen door ze stuk voor stuk fortissimo te melden. Dat geeft een verbaal geweld waarbij ik automatisch moet denken aan de manifestaties van Johnny de Selfkicker: komt de camera wat dichterbij dan zitten er ineens spatten op het beeldscherm.

Ego-trip

Overtuigend werkt dat allerminst, je neemt liever wat afstand. Het nadeel van zo'n ego-trip is ook dat je door al die herhaalde mededelingen op den duur wel weet wat de hoofdpersoon meent te voelen, maar waaróm dat nu het geval is blijft geheel in het duister, want de nevenfiguren worden niet uitgewerkt en voor de feitelijke gebeurtenissen heeft de schrijver ook geen goed woord over.

De doodklap voor het boekje zijn de stukjes waarin de schrijver op een kokette manier met zijn schrijverschap pronkt: "Met 'n eveneens literair geëngageerd vriend had ik de avond en 'n groot deel van de nacht in onze stamkroeg doorgebracht. Zowel in 't noteren van rappe vermeend dichterlijke vondsten als in 't ledigen van even zovele glazen had ik matigheid betracht." Maar desondanks: "Ontelbare, door mijn hand met liefdes -, lof- en klaagzangen beschreven viltjes gingen van persoon tot persoon en dwongen menige traan af." Daar trekken mijn tenen van krom, uit plaatsvervangende gêne.

Aan het slot van het boek deelt de schrijver in een epiloog mee dat hij het eenvoudig vertikt om het verhaal te voltooien. We kunnen bidden en smeken wat we willen, maar hij heeft er genoeg van. Het leven is immers zinloos en in deze afschuwelijke wereld is er ook geen enkele garantie dat voltooiing van deze slavenarbeid hem de onsterfelijkheid zou bezorgen. "Nooit zal ik nog offeren aan die slet, aan die zogenaamde muze. Nooit zal ik die vergeefse inspanningen nog verrichten".

Een uitstekend besluit, als ik zo vrij mag zijn.














































































Terug