Dirkje Kuik Huishoudboekje met rozijnen (1984)

(Recensie van Hans Vervoort in NRC Handelsblad, 11-05-1984)

 

 

 

Teksten van Dirkje Kuik: te weinig krenten


Er zijn mensen die tijdens het vertellen van een verhaal bij elke nieuw opduikende figuur herinnerd worden aan een andere geschiedenis, die er eerst in zenuwslopend detail uitmoet, voordat de draad weer opgepakt kan worden. In mijn ervaring zijn het vooral ooms, tantes en buurlieden die aan deze oeverloze kwekzucht lijden en laten lijden. En tien tegen één dat er ergens in het verhaal een enge ziekte of operatie voor komt, soms wordt het litteken zelfs getoond. Het verschijnsel kwekzucht komt ook bij schrijvers voor en de bundel Huishoudboekje met rozijnen van schrijfster /tekenares Dirkje Kuik is er een goed voorbeeld van, zelfs de operatie ontbreekt niet. Essays noemt zij deze teksten, maar een essay hoort ergens over te gaan en Kuik raakt op zoveel zijpaden dat zelden duidelijk wordt wat het onderwerp eigenlijk wel geweest zou kunnen zijn. Grabbelton proza met vele apropos en tussen haakjes, en vreemde familiaire terzijdes middenin een betoog.

Het eerste stuk begint met een bezoek aan het kerkhof van Parma en mondt uit (om geen enkele andere reden dan dat Venetië niet Parma is) in een vrouwvriendelijke anekdote over Casanova. Deze anekdote wordt ingeleid met de tot nadenken stemmende zin: 'Wie was Casanova, althans in mijn ogen?' In het laatste stuk van de bundel geeft een fresco van aartsengel Michael op miraculeuze wijze aanleiding tot een verhandeling over de (ontbrekende) wetgeving voor geslachtsverandering. Tussen dat eerste en laatste stuk schrijft Kuik over Denemarken, Ierland, Italië, Jack London, Stendhal, de liefde, vader en moeder, Napoleon en Marie-Louise en nog héél veel meer.

Nu is er eigenlijk niets tegen springerige causerieën en onverwachte overgangen, maar het is prettig, als dat uitstijgt boven het niveau van prietpraat, en helaas lukt dat Kuik maar zelden. Een verklaring geeft zij indirect zelf. Een groot deel van de stukken gaat (ongeacht het oorspronkelijke onderwerp) uiteindelijk over de geslachts-bijstelling die William Kuik een paar jaar geleden deed veranderen in Dirkje Kuik. Kuik was ongeveer 50 jaar toen zij eindelijk werd wat hij altijd al was, maar de operatie betekende toch een breuk met het verleden. Geregeld meldt zij dat heel wat vrienden in die periode afhaakten en tussen de regels door is ook te lezen dat zij in gedrag en uitingsvorm veranderde ('mijn toen nog gesloten aard' in een verhaal over vroeger). Een stuk over haar moeder begint met '(..) ik kan me toch nauwelijks een volwassen vrouw noemen die voldoende inzicht heeft, en er is ook te weinig bezonnenheid in mijn stijl van schrijven (...)'

Kortom, Kuik is op zoek naar een nieuw evenwicht en de onderwerpen in deze essay-bundel zijn meestal niet meer dan een halfgelukte poging om over iets anders te schrijven dan wat haar eigenlijk bezig houdt: de gender-diaspora, de dooltocht in mannenland van een man die zich vrouw weet. Over dat eigenlijke onderwerp kan Kuik nog niet goed schrijven, het wordt vakjargon of een kregelige uithaal of een truttig zinnetje: 'Deze operatie werd tussen twee haakjes uitgevoerd te Londen door dokter Philip, één van de beste plastische chirurgen op dit gebied in Europa. Hij formeert niet alleen een op het oog fraaie neo-vagina van de penile resten van de te behandelen patiënt, maar ook een vagina waardoor men in staat is een behoorlijk bestaan als vrouw te leiden, zonder schroom, dat is in Nederland lang niet altijd het geval.'

Als het nieuwe evenwicht gevonden is komen er hopelijk wat betere teksten los, zoals nu in een incidenteel zelfportretje: 'Wanneer ik 's morgens in mijn huis aan Oude Kamp opsta, een bloes en een rok aanschiet, het haar glad op een pinnetje, een gebloemde hoofddoek om, gebit nog niet in -- wat ga rommelen in de keuken -- o hoe mis ik dan een tuin -- mijn kat te eten geef, dan weet ik waar ik op lijk. Het is een belegen boerenvrouw uit Jutland, die in dat keukentje rondloopt, zij met haar lange gebogen neus, haar grote oren, haar fletse blauwe ogen, zij met het dunne haar op een speldje.'

Terug