Kerstverhaal

moz-screenshot-8


Ik vervloekte inwendig het perfectionisme van Gerrit. Waarom in
vredesnaam een ezel en geen behoorlijk stevig pakpaard. En waarom
moest ik lopen?
`Jacob, jongen,' (ik hoor het hem nog zeggen), `laat het denkwerk maar
aan mij over. Ik ken de voorspellingen, en als we ons er precies aan
houden, kan er niks misgaan.'
Marion zat met een gepijnigd gezicht te hotsen op het zadel. Ik klopte
haar geruststellend op de rug en ik zag haar denken `ouwe zak.'
Op die avond, ruim 3 weken geleden, zag ik haar voor het eerst in het
huis van Gerrit. Gerrit (`Grote') God was een van de handigste
jongens die ik ken, en wat meer zegt, hij was behoorlijk belezen. Op
deze avond zag hij er bepaald triomfantelijk uit. `Jacob, jongen, ik heb
een akkevietje voor je. Dit meisje moet naar Bethlehem gebracht
worden.' Ik zag het meisje staan, met haar gespannen buik, en zei:
`Met die buik?'
`Jazeker, ken je de profeten dan niet?'
Profeten, als ze zich met paardenrennen hadden bezig gehouden, zou ik
ze wel bestudeerd hebben. `Grote,' zei ik, `je weet dat ik een
ongeletterde jongen ben.'
`Precies,' zei hij, `een eenvoudige ziel, al wat ouder, dat is precies wat
ik nodig heb.' Met een weids gebaar wees hij naar het meisje. `Dit
meisje is onbevlekt ontvangen, en moet naar Bethlehem gebracht
worden.'
Onbevlekt ontvangen, m'n reet. 'Waarom naar Bethlehem?' vroeg ik.
`Om te bevallen, natuurlijk.'
`O,' zei ik dom. En het duurde een paar uur voordat ik begreep waar
hij me voor nodig had. Ik moet zeggen, het was een slim plan. Na
bestudering van de oude geschriften en consultatie van beschikbare
wijzen, was Gerrit tot de conclusie gekomen dat de tijd voor de komst
van de verlosser nabij was. En dus ook de tijd voor de komst van
mirre, wierook en — belangrijker — goud, gebracht door Balthasar,
Melchior en nog iemand wiens naam ik vergeten ben. En nu was ik
dan al twee weken op weg met een zwanger meisje, dat regelmatig zo
hard kreunde, dat ik niet wist hoe hard ik die ezel moest meppen om
maar zo snel mogelijk in Bethlehem te zijn.
Volgens de berichten ging alles goed. Spionnen rapporteerden dat de
drie koningen uit het oosten inderdaad van start waren gegaan, zelfs
voordat Gerrits boodschappers hen hadden kunnen bereiken. Dat gaf me
een eigenaardig gevoel in de maag, 's Heren wegen zijn tenslotte
wonderlijk, en ik betrapte me er op dat ik af en toe Marion eerbiedig
aankeek.
Daar gaf ze overigens weinig aanleiding toe want de winden en boeren
die ze liet vlogen me om de oren, en ze vloekte zoals alleen moderne
meisjes dat kunnen. En géén sluier natuurlijk, een sluier ho maar.
Moderne jeugd. Maar ik moet toegeven dat ze bijzonder ingetogen
deed toen we eindelijk Bethlehem binnenreden. De stad was pas
heroverd op de Arabieren en vol soldaten.
Grote Gerrit had me bezworen géén hotelkamer te zoeken, maar een
stal. Dat viel niet mee, al die soldaten hadden paarden en alle stallen
waren vol. `Wat héb je toch, man,' zei een herbergier tegen me terwijl
hij uit het raam keek naar Marion, `je kunt nog goedkoper een kamer
hier huren dan dat je een stal krijgt.'
`Het moet in een stal gebeuren,' bezwoer ik hem, `het staat zo
geschreven.' Hij haalde zijn schouders op en gaf me het adres van een
boer aan de rand van de stad. Voor 5 zilverlingen mocht ik daar de
ezel parkeren naast de os die hij er had staan. Er bleef nauwelijks nog
wat over voor ons tweeën. Ik maakte een wieg van een etensbak die ik
volgooide met stro, en keek Marion aan. `Zullen we eens een hapje
gaan eten, meid?,' zei ik. Ze zag er moe uit, het was ook geen lolletje
voor haar. Gelukkig was Gerrit royaal geweest met zijn
onkostenvergoeding en toen we na enkele uren terugkeerden naar de
stal zongen we zeer hard het lied van de muren van Jericho. Het was
een mooie novembernacht en ik vond het jammer dat Marion zo
hoogzwanger was.
Met veel moeite vonden we een plaats in het stro waar we niet de kans
liepen een trap van de twee beesten te krijgen, en lagen dicht tegen
elkaar aan om warm te blijven.
`Geloof jij dat het lukken zal?' zei ik tegen haar, voor de zoveelste
maal tijdens de reis.
`Waarom niet?' antwoordde ze voor de zoveelste maal, `misschien ben
ik wel gezegend. En anders trappen ze er ook zo wel in.'
Ik draaide me om, en wilde net gaan slapen toen ze begon te
kreunen. Ik stond op en stak de olielamp aan. Het was zover. Ze lag
met een verwrongen gezicht in het stro. Ik liet haar alleen en wekte de
boer en zijn vrouw. Mopperend gingen ze met me mee, `wat is dat nou
voor gekkenwerk, je had in een hotel moeten gaan, ouwe gek, en dan
met zo'n jong meisje...'
`Het staat zo geschreven,' verdedigde ik me zwakjes. `Ja, dat zal wel.
Zeker een van die moderne romans. Ze weten tegenwoordig van
gekkigheid niet meer wat ze doen moeten, die jonge meiden. Maar dat
u er aan meedoet, dat snap ik niet.' Mopperend verdween de boerin in de stal.
Ik bleef buiten staan, en keek naar de sterren.
`Gaat het maat?' zei een stem achter me. Het was Jacco, de koerier van
Grote.
`Het gaat wel,' antwoordde ik, `nog een paar uur. Hoe ver zijn die
koningen?'
`Volgens de laatste berichten zal het begin januari worden voordat ze
hier zijn,' zei hij grinnikend.
`Begin januari?' stoof ik op, `dat is nog anderhalve maand! In die kou,
dat is móórd, weet je dat?'
`Zal ik dat doorgeven aan Grote?' zei hij.
`Laat maar, laat maar,' zei ik, `ga jij de herdertjes maar verrassen, man.
Heb je je vleugeltjes bij je?'
Hij werd rood. `Niks vleugeltjes, ik ben daar gek.'
`Hoezo, het staat toch geschreven? Je wilt Gerrit toch niet kwaad
maken?'
Hij keek boos achterom, waar uit de zadeltas van zijn paard twee
witte vleugels staken. `Ze zitten heel beroerd,' zei hij, `en als het waait
val ik om.'
We waren juist bezig de vleugels aan zijn schouders vast te maken,
toen de vrouw van de boer uit de stal kwam. Ze keek met open mond
naar ons.
`Niets aan de hand,' galmde Jacco, `Vreest niet, want ik breng u een
blijde boodschap.'
`Grapjes maken ook nog,' zei de vrouw kwaad, `zelfs voor de dood
hebben ze tegenwoordig geen eerbied meer.'
`De dood?' vroeg ik geschokt. Ze ging naar binnen en wij volgden haar.
Naast elkaar in het bebloede stro lagen Marion en haar baby, bleek
en stil. Ik hoorde Jacco vloeken en naar buiten snellen. Even later
galoppeerde zijn paard weg.
Ik bleef nog een dag om de begrafenis te regelen en ging toen terug op
de ezel. Ik voelde me schuldig en betrapte mezelf er op dat ik
regelmatig om me heen en omhoog keek. De wraak van de Heer reikt
ver. Somber naderde ik na twee weken de poorten van mijn
geboortestad weer, toen ik een vreemd duo zag naderen. Een oudere
man met een baard, in wie ik Josef herkende, de timmerman, en naast
hem op een ezel een onbekende jonge vrouw. Hoogzwanger. Grote
God, dacht ik, schurk, is één niet genoeg? Ik hield hen staande.
`Josef,' zei ik, `wat doe je nu, dat is toch gekkenwerk, met een
zwangere vrouw zo op pad gaan?' Hij haalde zijn schouders op.
`We moeten naar Bethlehem,' zei hij.
Ik trok hem terzijde. `Onbevlekt ontvangen?' vroeg ik met een
veelbetekenende blik op de vrouw. Hij keek me met vriendelijke
blauwe ogen aan, en knikte.
`Neem mijn ezel maar, jongen, want je weet niet wat je te wachten
staat,' bood ik gul aan, maar hij wimpelde het vastbesloten af: `Nee,
het staat zo geschreven, en zo zal het gebeuren.'
Ik haalde mijn schouders op en we gingen elk ons weegs. In de stad
aangekomen ging ik meteen naar Grote Gerrit. Hij ontkende iets te
weten van een tweede expeditie. Of dat waar was, of dat hij wilde
voorkomen dat ik toch nog een aandeel in de winst op zou eisen, daar
ben ik nooit achter gekomen.

 

moz-screenshot-8 



Terug