Mijn debuut
Mijn schrijfdebuut was de novelle Zonder Dollen (1974, Thomas Rap). Er waren al twee verhalenbundels verschenen maar die bestonden uit al eerder in diverse bladen gepubliceerde verhalen. Zonder Dollen (1974) was mijn eerste speciaal voor een boekpublicatie gemaakte verhaal.
Ik schreef het tussen 13 juni en 7 juli 1974, toen ik met mijn gezinnetje verbleef in het mooie huis van uitgever Rap in Eemnes. Daar volgden we het Oranje-elftal dat op een succestocht naar het Wereldkampioenschap leek af te stevenen. En na afloop van de wedstrijden van de dag schreef ik het verhaal, met behulp van twee liter bier. Niet meer, niet minder. Dat was net genoeg om verlammende zelfkritiek te overwinnen en aan de slag te gaan. En te weinig om zo dronken te worden dat ik niet meer schrijven kon.
Het 96 pagina's tellende boekje verscheen toen ik met vrouw en kinderen gedurende drie maanden op Sentimental Journey was in Indonesië, mijn geboorteland. Het zou tegenwoordig ondenkbaar zijn dat de schrijver niet beschikbaar was voor een presentatie of signeersessies. Maar in die tijd kwam een boek gewoon uit zonder poespas. Bij terugkeer heb ik het doorgebladerd en in de boekenkast gezet zonder iets te lezen. Dat had een reden. Ik was een Pietje Precies en als de dood dat ik in het verschenen boek stylistische foutjes zou zien die ik in de correctiefase (dat deed in die tijd de auteur zelf) over het hoofd had gezien. Het had goede kritieken gekregen (Komrij: 'Zoiets kan je toch blijven lezen?') en Rap had er 6.000 exemplaren van verkocht.
Nu, op de rand van 2025 en 2026 herlas ik het voor het eerst. De flaptekst zegt over de inhoud:
Wat doe je als je vrouw van je wegloopt en in slecht gezelschap belandt met alle fatale gevolgen vandien? Precies. Tegen de achtergrond van een internationaal markt-onderzoek-congres beschrijft Hans Vervoort met animo de vreemde gedragingen van een wraaklustig individu. Donker Budapest, sex, geweld, vreemde talen, dansmuziek en leerzame gesprekken nemen in ZONDER DOLLEN een ferme plaats in.
Nu, ruim 60 jaar later zou ik de tekst serieuzer gemaakt hebben, maar ik wilde me toen afzetten tegen de Serieuze Literatuur die diepgravende dramatiek schreef en dat op de achterflap liet weten. Het onderwerp was natuurlijk best serieus: de ik-persoon, een jonge marktonderzoeker heeft een vriendin die lijdt aan een ernstige vorm van straatvrees. Hij kan haar niet helpen en als ze een collega-marktonderzoeker vindt die haar via discipline-spelletjes van haar fobie af kan helpen kiest ze voor die persoon. Maar Eefje pleegt ten slotte toch zelfmoord uit wanhoop. De ik gebruikt een marktonderzoekcongres in Budapest om wraak te nemen op de collega die haar tot haar zelfmoord heeft gebracht.
Wat vind ik na 51 jaar van het boek?
Het begint met een Carmiggeltiaanse beschrijving van het bezoek van congresgangers aan een dorps ogende Budapester nachtclub.
Er kwam een jonge blonde man opdraven, naakt op een klein vleeskleurig zwembroekje na, één en al spier en geen onsje vet aan de heupen. Hij droeg een grote rieten wasmand, zette die voorzichtig neer en begon te blazen op een fluit. (…) Wondermooi, zo'n fluit die uitstijgt boven het verwonderd gemompel van de toeschouwers.
Kijk daar heb je het al: tweemaal 'wonder' in één zin. Als schrijver lees je er bij de correctie makkelijk over heen, je kent de tekst immers. Ik zou nu 'afwachtend' gemaakt hebben van 'verwonderd'. Uiteraard kruipt er een danseres uit de mand en als de fluitist haar hoog optilt raakt zij per ongeluk met haar voet een lamp, die begint te schommelen. Carmiggelt leeft!
Het proza in Zonder Dollen is opvallend efficiënt: geen woord teveel. Het beschrijft exact de conversaties en de gebeurtenissen en wat de hoofdpersoon erbij denkt. Er wordt opvallend veel alcohol gedronken en de zeden zijn losjes, zoals het hoort in verhalen over de jaren '70. Schrijver Vervoort leeft zich uit in een gedetailleerde schildering van zo'n contact:
'En nu naar bed', zei ik en duwde haar voor me uit. Het klonk als een boektitel. (…) `California, here I come', riep ik en sprong op haar en begon verwoed te pompen. Al vrij snel had ik het ritme te pakken, een solide driekwarts maat met de nadruk op de laatste slag. Al na een paar minuten waren we zover. Ik legde mijn hoofd op haar borstbeen, greep van onderen haar billen, kromde mezelf en begon te beuken. Ah-ah- AAAHHH en het was afgelopen. Celia schokte nog een paar keer door, terwijl ik wat nadruppelde.
Kenmerkend voor de gehanteerde stijl is ook deze beschrijving van een congresbijeenkomst:
(…) Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, dacht ik en keek nadenkend naar de kolkende menigte vol zakenlieden die elkaar enthousiast op de schouder tikten en elkaar aan de rug meevoerden naar andere zakenlieden. Een enkele verdwaalde vrouw ertussen, mooi en koel met blote schouders of schoudertjes.
Zou ik het nog zo doen? Mijn schrijfstijl wordt door recensenten nog steeds omschreven als sober en literair taalgebruik mijd ik nog steeds als de pest. Ook na Zonder Dollen schreef ik mijn verhalen altijd in de ik-vorm, zodat ik één personage niet hoefde te verzinnen. Mezelf op avontuur sturen is altijd de drijfveer geweest achter mijn romans en verhalen.
Maar ik denk dat ik tegenwoordig wel meer moeite zou doen de andere personages zo neer te zetten dat de lezer ze echt leert kennen. De werkelijkheid in Zonder Dollen is eigenlijk realistischer want mensen leven in feite langs elkaar heen zonder een flauw idee wat de ander drijft. Maar in een roman kan je – beter dan ik in mijn debuut deed - zorgen dat personages zich toch wat meer bloot geven.
Al heel vroeg had ik het idee dat ik het liefst een boek zou schrijven dat mensen lazen zonder dat ze beseften woorden te lezen. Ze zouden beelden in hun hoofd moeten krijgen. En dat is bij Zonder Dollen wel het geval, denk ik. Het verklaart ook waarom de roman acht jaar lang rond ging bij scenarioschrijvers, totdat George Schouten er in 1982 een film van maakte onder de titel Een zaak van leven of dood (met Peter Faber in de hoofdrol). De film flopte en ik begreep dat wel: krijg fobielijders maar eens de straat op naar de bioscoop!
(Dit artikel verscheen in de krant Argus, 15 januari 2026.)