1header_hansvervoort.jpg - Jan van Mersbergen - De onverwachte rijkdom van Altena (2019)

Welkom op de website van Hans Vervoort

Jan van Mersbergen - De onverwachte rijkdom van Altena (2019)

 

Roman in spreektaal met sprookjesachtige elementen

 

 

De nieuwe roman van Jan van Mersbergen draagt een wat omslachtige titel, De onverwachte rijkdom van Altena en een – aangename – omslachtigheid kenmerkt ook de stijl van de vertelster in dit verhaal. Zij is Marlies, cryptogrammen-puzzelaarster en partner van Frank die vijvers bouwt en niet houdt van lange woorden. Zij hebben een lichamelijk gehandicapte zoon, Willem, en wonen in een klein dorpje in de heerlijkheid Altena, Noord-Brabant. Een geïsoleerde gemeenschap, om naar de stad te gaan moest je ‘een brug over die er nog maar twintig jaar lag en iedereen kende de verhalen van daarvoor, van toen je met een pontje naar de overkant moest. Niemand wilde naar de overkant, niemand wilde naar die stad, alleen twee keer per jaar om kleren te kopen (..)’

Dertig jaar eerder

Eén meisje vertrekt wel naar de stad, Eveline, schoolvriendin van Marlies en eerste liefde van haar partner Frank. Zij wordt een bekende schrijfster en komt pas na dertig jaar terug als haar vader is overleden. En wat die vader dertig jaar eerder deed, is de centrale gebeurtenis in deze roman.   Hij sloot De Put af, een zandafgraving die dankzij regen een enorm grote vijver was geworden. De tieners van Altena plachten er te zwemmen en op het veld rondom de plas te zonnen en te doen wat tieners verder nog doen. Marlies herinnert zich die tijd en de eerste aanraking van Frankie als de dag van gisteren:
‘De avond in juli ’87, net na de langste dag, was het nog lang warm en lekker lang licht en zeker nog boven de twintig graden dus we bleven op dat veldje hangen en er waren traytjes bier en voor de meisjes bessenjenever. (…) Die dag was net het nieuws bekend dat de complete Put dicht ging. Verslagenheid, verzet, woede. Frankie kwam bij mij in de buurt zitten, schuin voor me (…) en op een gegeven moment leunde hij tegen mijn been en dat was het. Dat had hij nodig.’

 

Manoeuvres

Het kilometers lange hek dat Rochat om De Put liet zetten maakte toegang voor de jeugd onmogelijk. Wat hij met De Put deed bleef dertig jaar lang onbekend. Maar als hij sterft en dochter Eveline het beheer over het grote water overdraagt aan Marlies en vijverdeskundige Frank ontdekt dit tweetal dat op de bodem van De Put een levende schat te vinden is. Het duo besluit die schat voor zichzelf te houden, eigenares Eveline maar ten dele in te lichten en de opbrengst te gebruiken voor de operatie en revalidatie van hun zoon. Ze zijn niet gewend te liegen en bedriegen en de omzichtige manoeuvres die zij daarbij uitvoeren behoren tot de hoogtepunten van deze roman.

 

Spreektaal

Van Mersbergen heeft wel eens laten weten dat hij streeft naar een schrijfstijl die eigenlijk een praatstijl is en schrijfster Eveline, de jeugdvriendin van Marlies, deelt die wens:
‘Ik vraag haar of ze er goed van kan leven. Ja, knikt ze, gespeeld bescheiden. (…) En dan zegt ze iets opvallends: Ik zoek een taal die werkelijk dicht bij me staat. Hoe bedoel je?
En dan zegt ze: Dat. Precies zoals jij het nu zegt: hoe bedoel je? Ze komt met een heel betoog, dat ook zij hier vandaan komt maar dat haar schrijftaal anders is dan onze spreektaal. Eigenlijk wil ze schrijven zoals de mensen hier praten, zoals we nu aan dit tafeltje zitten, hoe we kijken en van die korte woorden zeggen als Welk? en Hoe bedoel je? in plaats van Wat zeg je?’

 

Boeiende vertelster

In dit boek is dat Van Mersbergen heel goed gelukt. Vertelster Marlies zit op een terras in het Franse ski-oord Chamrousse een cryptogram op te lossen (elke hoofdstuktitel is een cryptozin) en vertelt aan een ongenoemde luisteraar het verhaal van de onverwachte rijkdom van Altena. Van Mersbergen laat haar onbelemmerd en ongeremd aan het woord, terwijl ze zichzelf af en toe een glaasje inschenkt en vertelt over haar angsten en beperkingen, over de stoere en zwijgzame maar o zo kwetsbare Frank, over haar dappere gehandicapte zoon Willem, over de kinnesinne in het dorp, over haar vrees dat schrijfster Eveline haar man van haar af zal pakken.

Moeder-de-vrouw Marlies is een boeiende vertelster en houdt de spanning er goed in tot en met de laatste pagina’s, als eindelijk onthuld wordt waaróm ze in dat ski-oord zit en wie het is die haar gesproken verhaal heeft opgeschreven.
Dit verhaal is eigenlijk een tot roman uitgesponnen sprookje met de bij een sprookje behorende onwaarschijnlijkheden en als moraal: stelen mág, als het maar voor je kind is. In dat sprookje past ook naadloos een bejaarde Japanner die enkele keren het dorp bezoekt met raadselachtige uitspraken en kennelijk Rochat heeft geholpen bij het creëren van zijn schat. Ook de vele Japanse sprookjes die Marlies vindt in een door Rochat nagelaten boekje met metingen, wijsheden en aantekeningen, dragen bij aan wat de sage van Altena’s onverwachte rijkdom is geworden. Een mooi verhaal.

 

(Deze recensie verscheen op de website van Literair Nederland, 15 april 2019)