Winnaar van de Hans Vervoort-prijs 2026
De winnaar van de Hans Vervoort-prijs 2026 is inmiddels bekend!
Amsterdam, 25 maart 2026
De winnaar van de Hans Vervoort-prijs 2026 is L.H. Wiener voor zijn roman In Verlatenheid (uitg. Pluim).
(Zie het juryrapport hieronder)
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
De shortlist 2026:
Amsterdam, 26 februari 2026
Met genoegen maakt de jury van de Hans Vervoort Prijs ‘voor proza van neerslachtige en toch opbeurende aard’ de shortlist van dit jaar bekend. Uit een recordaantal inzendingen van meer dan 100 titels moest een scherpe selectie worden gemaakt. De jury, bestaande uit Bart Leemhuis (boekverkoper), Janneke Siebelink (auteur) en voorzitter Arjan Peters (literatuurcriticus), presenteert de volgende 5 nominaties. In alfabetische volgorde:
1. Christine Bax: De nieuwe weg (Cossee)
Terug naar de jaren vijftig, en naar dorpen met namen als Jubbega, Arkema, Kruiswater, Tocht en ’t Einde. Ze praten daar kortaf in hun eigen dialect. ‘Waar lang niks is duiken dingen op’, schrijft de originele debutant Christine Bax (opgegroeid in Drachten), en dat gebeurt ook in De nieuwe weg waar werkloze Ype die surrealistische schilderijen maakt, besluit om met anderen een weg te maken naar de grote stad – een omgekeerde staking werd die werkdrift genoemd. Een eigen weg maken is ook: een uitweg zoeken uit de armoede, uit de benauwende realiteit. In de wereld van Ype, zijn dochter Klaske (die als hulp in een snackkar Hotdog-Meid heet) en zijn vrouw Marga komt de nieuwe tijd binnen: in plaats van 2 uur lopen naar de bioscoop rijd je er nu in 20 minuten heen, vreemdelingen enteren het dorp (import) en die praten allemaal zoals op tv. En die gaan ook dingen zien die ze kennen van tv, bijvoorbeeld in misdaadseries. Het dorp in De nieuwe weg begint soms een beetje op Twin Peaks te lijken. De wereld is intussen niet groter maar kaler en eenvormiger geworden. Zelfs de vogels vertrekken. Gelukkig blijft Ype tekenen. De schrijfster begrijpt hem, en hanteert een vergelijkbare vorm van consequent taal-denken als hij: als Marga neerslachtig is, valt er meteen neerslag. Uit het realisme komt surrealisme voort; ook dát is een uitweg, in dit kleurrijke boek dat Bax’ entree in de literaire wereld doet sprankelen.
2. Walter van den Berg: Zanger Ronald zingt de blues (Hollands Diep)
Nergens in Zanger Ronald zingt de blues dringt de schrijver zich op. Het woord is aan de hoofdpersoon Ron en zijn Amsterdamse entourage. Dat levert een boek op dat rauw is en ongepolijst, volkomen geloofwaardig, en vol onversneden Amsterdamse humor. Cynisch misschien soms, maar mild; melancholiek, maar zonder ooit ten prooi te vallen aan diepe zwaarmoedigheid of navelstaarderij. De lezer hoort de stemmen van de personages, ziet hen voor zich, en merkt dat ze hem niet meer loslaten. Ook namen verzinnen blijkt een kunst die Van den Berg tot in de finesses beheerst. Dit verhaal laat zich lezen als een bluesy smartlap: ontroerend en tragisch, met de vereiste combinatie van een lach en een traan. Deze roman is een onvergetelijke roadtrip langs de kroegen van Amsterdam. Daar zien we Ron zitten, aan de lange kant van een bar in Amsterdam-West; met dank aan de trefzekere pen van zijn geestelijk vader.
3. Hans Heesen: Erfgenaam (IJzer)
Een wonder van compactheid, deze vertelling waarin een scenarioschrijver terugdenkt aan de ietwat louche café-kennis Marcel van vroeger. Die zag hij na jaren terug, en toen vroeg Marcel hem om raad bij een wel heel eigenaardig klusje: hij wil een lijk stelen en dat achterhouden, om de familie vervolgens te chanteren. Omdat de verteller een man van het woord is en niet van daden, laat staan drieste, is hij toch gevleid dat hij mee mag denken met de slagingskansen van deze operatie, gaat hij voor Marcel zelfs een geschikte plek uitzoeken om een verstopgraf te graven – want je moet een gestolen lijk toch even ergens kwijt kunnen, zo lang de onderhandelingen duren? Ineens zit de scenarioschrijver zelf in het scenario van een spannende film. Die krijgt een onvermoede en gevoelige wending. Deze vierde novelle van de oud-docent van de Filmacademie toont Heesens vaardigheid in het smeden van scènes en dialogen. Om iets te begrijpen van het verhaal waar je zelf in zit, moet je je blik trainen, misschien nog méér dan je geest. Wie goed kijkt, loopt minder gevaar dat hij later, als het te laat is, denkt: ik wist het niet, omdat ik het niet zag. Zo mondt de suspense van Erfgenaam verrassend uit in een levensbeschouwelijke les – of beter: het voornemen daartoe. Losjes en geamuseerd weet Heesen ook de argeloze lezer daar heen te voeren.
4. Coco Schrijber: Het gezoem van bijna alles (Querido)
Filosoof Catootje Goudschenker krijgt een glazen oog na een noodlottig ongeluk in haar jeugd. Gaandeweg verzandt ze in een uitzichtloos bestaan op een druppelvormig eiland waar ze de post rondbrengt en veel, heel veel drinkt. Weg is de tijd dat de ochtend nog een vraag was en niet een dichtgesmeten deur. Ze is iets verloren wat ze nooit heeft gehad. Verdriet en katers vechten om de voorrang. Er is geen ander land, er is geen ander leven dan dit. Tot ze de oude Cato weer terugvindt in zichzelf, de Cato met plannen. Het besef: elk moment kan alles anders gaan. Stel niet uit.
Het gezoem van bijna alles heeft een uitgesproken filmisch karakter (geen verrassing aangezien de auteur ook filmregisseuse is), vol scherp gesneden wendingen en gedurfde zijpaden. Een rijk en oorspronkelijk boek over, in Cato’s eigen woorden, ‘de diepmenselijke behoefte om je te laten gelden, het léven te laten gelden. Maar wie of wat bepaalt of het gelukt is, dat gelden, dat manifesteren in een wereld die niet eens weet heeft van jouw bestaan?’
5. L.H. Wiener: In verlatenheid (Pluim)
‘Het leven is mooi, maar men moet leren hoe het te vergallen’ is een zin vol bittere ironie die L.H. Wiener en zijn oeuvre typeert. In verlatenheid levert hiertoe een nieuwe proeve van bekwaamheid. In dit geval speelt een meedogenloos geheugen de hoofdrol: ‘Mijn geheugen mijn vijand, een zwendelaar, die mij in negativisme tracht te overmeesteren en mij uit de werkelijkheid tracht te isoleren, alsof alles mislukt is en voor niets is geweest.’ Dit geheugen houdt de verteller voortdurend de impulsieve uitspraken voor waarmee hij anderen kwetste, en toont hem zijn egoïsme in relaties en seks. Een egoïsme of ongevoeligheid die hem, in het licht van de dood van zijn ouders, van zijn eerste geliefde, vrienden en zelfs huisdieren voor altijd blijft kwellen. Maar maakt dit leed de lectuur vermoeiend of larmoyant? Nog niet een enkel moment. Stilistisch is dit boek een verademing, en een onderdompeling in de totale vreugde van taal. Zonder tegenstribbelen liet de jury zich van acquit af bij de kladden nemen en meevoeren op een reis van jeugd tot ouderdom, en door liefde en pijn. Wie zich zó onbeschermd in zijn angst en falen durft te tonen en ons daarbij het gevoel geeft een vormvaste roman te lezen, heeft een triomf behaald.